Formule 1 lexicon

Aërodynamica (#)

Dit is de leer van de luchtstroming. In de F1 worden de lucht zo rond en over de bolide geleid, dat men er grip mee kan creëeren. De voornaamste methodes zijn de vleugels en de diffuser.

Achtervleugel (#)

De achtervleugel is gemonteerd vlak achter de achterwielen en genereert, buiten de diffuser, het meeste downforce. Hij bestaat, volgens de huidige regels, uit maximaal twee vleugelplaten.

Airbox (#)

De airbox bevindt zich vlak boven de motor. De lucht komt via een opening in de rolkooi, in de airbox. Deze geleidt de lucht naar de luchtinlaten van de V10-motor.

Anti-lift (#)

Anti-lift is het afstellen van de voorophanging zodat de voorwielen bij acceleratie niet van de grond loskomen.

Apex (#)

De apex is het punt waar de ideale lijn de binnenkant van de bocht raakt.

Aquaplaning (#)

Een wagen heeft aquaplaning wanneer er tussen de band en het asfalt een waterfilter ontstaat. Hierdoor heeft geen enkel punt van de band nog contact met de baan. De wagen kan beginnen glijden en als piloot kan je hier weinig aan doen.

Balans (#)

Dit slaat op de gewichtsverdeling. Een bolide moet dan wel 600kg wegen, incl. piloot, maar hij weegt veel minder. Hierdoor brengt men extra gewichten aan. Deze kan men vrij plaatsen waar men wil, om de wagen, gezien de huidige set-up, optimaal te laten functioneren.

Bandencompound (#)

Zie compound.

Bandenwarmer (#)

Bandenwarmers worden gebruikt om de banden op voorhand op te warmen tot een temperatuur van 90°C. Een band presteert ideaal bij een temperatuur van 100°C. Door bandenwarmers te gebruiken, bereiken de banden, tijdens het rijden, sneller de ideale temperatuur.

Bargeboard (#)

Een bargeboard dient als luchtgeleider. Het geleidt de lucht die over en onder de voorvleugel stroomt, nadat deze de voorophanging en de splitter gepasseerd heeft, naar de openingen in de sidepods.

Batlet(s) (#)

Een batlet of flipup is een kleine vleugel op het einde van de sidepods die de luchtstroming over de achterwielen verbetert.

Beroep (#)

Teams kunnen beroep aantekenen tegen de beslissingen van de raceleiding. Een dergelijk beroep wordt behandeld op de eerstvolgende zitting van de World Motorsport Council.

Black Box (ECU) (#)

De black box of Electronic Control Unit is de computer van de bolide. Deze bevat alle software die de wagen bedient. De ECU moet met FIA-zegels vergrendeld zijn om zich er van te vergewissen dat niemand de software aangepast heeft. Als er zegels ontbreken, wordt wagen en piloot gediskwalificeerd.

Blistering (#)

Blistering is de vorming van blaren op het oppervlak van een band. Vlak onder het oppervlak ontstaan er dan luchtbellen.

Bodemplaat (#)

Over de gehele lengte van de bodem wordt een houten plank bevestigd. Deze dient om na te gaan of er geen excessieve slijtage is als gevolg van een te lage rijhoogte.

Bodywork (#)

Dit is de carrosserie van de bolide.

Bottoming (#)

Bottoming onstaat wanneer de veren in de ophanging plots helemaal samengedrukt worden. Hierdoor raakt de bodem van de wagen het asfalt.

CAD (#)

Staat voor Computer Aided Design. Dit omschrijft een type softwarepakketten die naast twee- of driedimensionele grafische communicatie (lees: tekeningen of modellen) ook virtuele testen toelaat op mechanische, elektrische, acoustische en thermische eigenschappen van de verschillende onderdelen. De tekeningen en modellen worden ook gebruikt om de onderdelen geautomatiseerd aan te maken. CAD laat dus toe om onderdelen zeer snel te ontwerpen en te bouwen.

Camber (#)

Camber is de hoek waaronder de banden op het asfalt staan. De wielen van een bolide staan nooit haaks (90°) op de baan, maar men plaatst ze lichtjes schuin naar binnen vooraan en lichtjes naar buiten achteraan. Als men een bocht neemt, komen de wielen dan recht te staan en bieden ze optimale grip. Op het rechte stuk, waar de grip van de banden minder belangrijk is, is er dan ook geen optimale grip.

Chassis (#)

Het chassis is de basis van een racewagen. Hierop worden alle onderdelen gemonteerd, zoals motor, transmissie, benzinetank, ophanging,...

Chicane (#)

Een chicane is een korte bochtencombinatie, bestaande uit twee mekaar snelopvolgende haakse bochten. De bedoeling is om na een snelle sectie de snelheid van de wagens drastisch te doen dalen.

Cockpit (#)

De cockpit is het bureau van een racepiloot. De cockpit is een deel van de monocoque. Hierin neemt de piloot in een op maat gemaakte zitje, met 6puntsgordel, plaats. Daarnaast is er nog het stuur, met de nodige besturingsknoppen. In het gedeelte voor de benen bevinden zich twee pedalen, één voor te remmen en één om gas te geven.

Compound (#)

De compound is de chemische samenstelling van de band. Afhankelijk van de rubber en andere componenten die men gebruikt, kan men een zachtere compound verkrijgen, die meer grip biedt, maar sneller slijt, of een hardere, die minder grip levert, maar een betere slijtage heeft.

Concorde-akkoord (#)

Het Concorde-akkoord is hét akkoord tussen de eigenaar, Bernie Ecclestone (SLEC), en de deelnemers. Het bindt de teams nog tot 2007 aan Ecclestone en bepaalt tevens hoe de inkomsten van de F1 verdeeld worden tussen Ecclestone en alle teams.

Differentieel (#)

Het differentieel verbindt de as komende van de transmissie met de aandrijfassen. Door middel van tandwielen kunnen de twee achterwielen op verschillende snelheden draaien. Dit is van groot belang in het nemen van bochten. Het differentieel wordt vaak ook de ‘laatste versnelling’ genoemd.

Diffuser (#)

De diffuser bevindt zich aan het uiteinde van de bodemplaat. Daar gaat de normaal vlakke bodem schuin omhoog. Dit is de diffuser. Het doel is om de lucht die onder de bodemplaat heen stroomt, te versnellen door de ruimte onder de bodemplaat groter te maken. De lucht stroomt er dan sneller dan de lucht die boven de bodemplaat stroomt en dat creëert een zuigend effect op de wagen. Dit is een manier om downforce te creëeren.

Dirty air (#)

Vuile lucht is de luchtstroom achter een bolide. Als men vlak achter een andere wagen rijdt, kan men de aërodynamische grip verliezen. Dit komt onder andere doordat de lucht achter een bolide turbulent is. Turbulente lucht levert niet dezelfde luchtstroming rond de bolide en dezelfde downforce als propere lucht.

Diskwalificatie (#)

Als een piloot de reglementen niet respecteert of de wagen niet reglementair is, kan de betrokken piloot gediskwalificeerd worden, waardoor hij de verdiende punten verliest.

Downforce (#)

Downforce betekent neerwaartse kracht en is vooral in de bochten van belang. Doordat de wagen neerwaartse krachten genereert, via vleugels of diffuser, kan men de bochten sneller nemen. Drag Drag is de aërodynamische weerstand die een wagen ondervindt als hij rijdt.

Drift (#)

Een wagen die drift in de bochten, heeft op alle wielen een tekort aan grip of een te hoge snelheid. Door het schuiven neemt hij de bocht niet op de ideale manier.

Drive-by-Wire (#)

Bij een drive-by-wire systeem bepaalt een sensor de positie van het gaspedaal en stuurt zo de luchttoevoer naar de motor aan.

Drive-Trough Penalty (#)

Dit is 1 van de straffen die de racedirectie een piloot kan opleggen. Als men een fout begaat, kan men met drive through bestraft worden. bijvoorbeeld te snel door de pitlane rijden, de witte lijn overschrijden bij het uitrijden van de pits. Deze straf vindt de laatste jaren terug meer opgang. Vroeger gaf men eerder een stop and go straf, waar de piloot aan zijn pitbox gedurende 10 seconden diende stil te staan.

Flap (#)

Een flap is het horizontale deel van de vleugel. Dit is de vleugelplaat m.a.w.

Flat spot (#)

Op een kale plek (flat spot) is het rubber van de band meer afgesleten. De handelbaarheid van de wagen verslechtert als gevolg hiervan. Een kale plek kan onstaan door hard te remmen of tijdens een spin.

Formatieronde (#)

Nadat alle wagens op de grid hebben plaatsgenomen om de start van de GP te nemen, rijdt het ganse rijdersveld nog een formatieronde. Dit is een trage ronde, waarin de rijders het circuit nogmaals kunnen verkennen en de banden nog wat opwarmen. Bovendien kan men de start wat oefenen, hoewel men dit niet vanuit stilstand, maar op lage snelheid doet.

Full Wets (#)

Full wets of regenbanden worden gebruikt als het regent. Als het stortregent,kan men overschakelen op monsoonbanden, maar dit moet de raceleiding op voorhand beslissen.

G-kracht(en) (#)

Een piloot ondervindt tijdens het optrekken, remmen, schakelen en ook tijdens een crash G-krachten. 1G( =gravitation of zwaartekracht) staat voor een kracht van eenmaal zijn gewicht dat op het lichaam van de piloot wordt uitgeoefend. In normale omstandigheden kunnen de piloten tot 5 G te verwerken krijgen. Tijdens zware crashes kunnen er, gedurende enkele milliseconden, krachten tot meer dan 100G ontstaan.

Gegroefde banden (#)

Dit zijn banden waar men verticale groeven in heeft aangebracht, om de grip die de banden produceren te verminderen. Een normale raceband, voor droog weer welteverstaan, is een slick en heeft een egaal oppervlak, dus geen groeven.

GPDA (#)

De Grand Prix Drivers Association is een afvaardiging van de F1-piloten. Mark Webber, Michael Schumacher en Jarno Trulli zetelen hier momenteel in. Als men de raad van de piloten inroept, zal men de mening van de GPDA raadplegen.

Grindbak (#)

Grindbakken worden aan de buitenkant van bochten voorzien om wagens die van de baan gaan in de bocht te vertragen.

Grip (#)

Grip is de mate waarin de wagen op het asfalt kleeft. Grip bereikt men niet alleen door de banden, maar ook door de afstelling van ophanging, vleugels…

Ground Effect (#)

Het ground-effect zorgt ervoor dat door het kanaliseren van de luchtstroom onder de wagen de grip van de wagen verhoogt. Colin Chapman van Lotus plaatste, op het einde van de jaren ‘70, op de zijkanten van de bodemplaat skirts, zodat de ruimte onder de bodem afgesloten was en men een kanaal kreeg. De lucht die door het kanaal stroomde, versnelde van zodra dit kanaal verlaten werd. Hierdoor werd de rest van de luchtstroom onder de wagen ook versneld en creëerde men grip. Momenteel zijn er geen wagens meer met het ground-effect van einde jaren ‘70, begin jaren ‘80, maar men verkrijgt momenteel hetzelfde effect door met een diffuser te werken.

Gurney-flap (#)

Dunne strip, aan de bovenzijde over de breedte van de vleugel loodrecht op het vleugeloppervlak gemonteerd en dient om de hoeveelheid geproduceerde neerwaartse druk te verhogen.

Handling (#)

Dit is de handelbaarheid.

HANS (#)

HANS is de afkorting van Head And Neck Support system. Dit is een steun die de piloten op hun schouders zetten en waaraan men de helm, via kabels bevestigt. Het doel is om bij zware crashes te verhinderen dat het hoofd een te grote klap voorwaarts maakt, waardoor de piloot verwondingen aan de nek zou kunnen oplopen.

Herstart (#)

Als er in de race na enkele ronden al een rode vlag-situatie onstaat, wordt de race opnieuw herstart. Afhankelijk van de situatie wordt het aantal nog af te leggen ronden bepaald. Een andere mogelijkheid is dat de safety-car tijdens de race moet tussenkomen en dan de race neutraliseert. Als de SC (safety car) terug de pitlane inrijdt, wordt de koers herstart van zodra de piloten de startstreep overschrijden. Dit heeft als gevolg dat men een voorliggend piloot pas voorbij deze streep mag inhalen.

Ideale lijn (#)

De ideale lijn is de lijn die de piloten zullen volgen om op de snelst mogelijke manier een ronde over het circuit af te leggen. Deze lijn maakt een compromis tussen de kortste weg en een maximale snelheid.

Installatieronde (#)

Wanneer een team aankomt op een circuit, voor bvb. een test, wordt er met de wagens altijd eerst een installatieronde gereden, om de werking van alle functies van de wagen te controleren.

Intermediate(s) (#)

Intermediate banden worden gebruikt in halfnatte omstandigheden. Als het dus noch droog is noch zwaar regent.

Jump Start (#)

Een jump start betekent dat een piloot nog voor de lichten op het signaalbord aan start/finish uitgingen, vertrok. Op de startposities zijn er sensoren ingebouwd, waarmee de raceleiding kan controleren of iemand al dan niet een jump start gemaakt heeft. De piloot die dit doet, zal de gepaste straf, meestal een drive through, ontvangen.

Kerbs (#)

Curb(stone)s of kerbs zijn randstenen, die in de apex van een bocht en bij de ingang en uitgang aan de buitenkant van de bocht liggen, m.a.w. op de plekken waar men de neiging heeft om even het asfalt wat te verlaten.

Koolstofvezel (#)

Koolstofvezel of carbon fibre is een veel gebruikt productiemateriaal in de hedendaagse autosport. Indien juist geproduceerd is het sterker dan staal, en tevens ook lichter. Een koolstofvezel is op zich niet sterk, maar doordat men de vezels haaks op mekaar legt en aan mekaar lijmt en bovendien zo’n verschillende platen via een honinggraatstructuur aan mekaar vastmaakt, verkrijgt het zijn sterkte. De monocoques, carrosserie, vleugels, remmen… zijn allemaal uit koolstofvezel vervaardigd.

Kwalificatie (Qualifying) (#)

De kwalificatie bepaalt de startorde voor de race. Diegene die tijdens de kwalificatiesessie de snelste tijd neerzet, mag op de pole positie, zijnde de eerste startplek, starten. De tweede snelste start op de tweede plek enz. De voorbije jaren was er ook een bijkomende regel die stelde dat men een tijd moest rijden die max. 7% trager is dan de snelste piloot, de zogenaamde 107% regel.

Launch Control (#)

Launch controle(LC) is een electronicasysteem dat waarbij men kan starten op het ideale toerental van de motor, zonder spinnende wielen. De piloot bepaalt eerst het goede toerental, waarna hij de LC knop indrukt en volgas geeft. Bij de start dient de piloot nog enkel de knop te lossen om een goede start te hebben. Dit systeem is sinds 2004 verboden, maar de FIA verbood maar enkele methodes voor LC, zodat er nu nog LC gebruikt wordt, maar op een andere methode.

Lollipop (#)

De Lollipopman is het lid van de pitcrew die via een staaf met een (meestal) cirkelvormig plakaat, genaamd de lollipop, aan de piloot het signaal geeft om te vertrekken na een pitstop. Dit kan pas als alle banden vervangen zijn, de benzinetank uit de wagen gehaald is en de bolide niet meer op de krikken staat. Bovendien moet hij rekening houden met aankomend verkeer in de pitlane.

Marshal (#)

De marshalls zijn de mensen die langs de kant van het circuit staan om de race in goede banen te leiden. Zij geven de nodige vlagsignalen, op aangeven van de race-leiding, en indien er een crash is, moeten zij ervoor zorgen dat de piloot veilig weggeleid wordt en dat het wrak verwijderd wordt.

Monocoque (#)

De monocoque is bij een eenzitter zowat hetzelfde als de cockpit. Het is het deel van het chassis, waar de piloot zit. Dus van het voeteneinde, waar de pedalen zich bevinden, tot en met het zitje.

Motorhome (#)

De motorhomes of hospitality units zijn de PR-ruimtes van de F1-teams. De VIP’s worden er ontvangen en kunnen er eten, net als de teamleden zelf.

Nomex (#)

Nomex is een brandvrije stof, die gebruikt worden in de overalls en het ondergoed dat de piloten dragen. Men gebruikt in een overall enkele lagen nomex, om een beter vuurvastheid te verkrijgen.

Oefensessie (#)

Tijdens elke Grand Prix zijn er drie oefensessies, twee op vrijdag (donderdag in Monaco) en één op zaterdag. In deze sessies kunnen de teams testen om een correcte afstelling en bandenkeuze te bepalen.

On-board-camera (#)

Volgens de reglementeringen moet er op een F1-bolide meerdere bevestigingspunten zijn voor een on-board camera, nl. boven de luchthapper, op de sidepods, links en rechts van de neus…

Onderstuur (understeer) (#)

Onderstuur is een situatie waarbij, bij het nemen van een bocht, de voorkant minder grip heeft dan de achterkant. Hierdoor heeft de voortrein de neiging rechtdoor te gaan terwijl de achtertrein de bocht normaal neemt.

Opgave (#)

De meest voorkomende redenen van een opgave zijn een crash en mechanische pech. Het is ook mogelijk dat de piloot opgeeft om andere redenen, zoals vermoeidheid.

Ophanging (#)

De wielen, uprights, remmen… zijn via dubbele wishbones aan het chassis bevestigd. Daarnaast is er nog de vering, die via een pull-rod of push-rod systeem geregeld wordt.

Opwarmronde (#)

De opwarmronde of formatieronde is de ronde waarin de piloten de banden en wagen nog kunnen opwarmen vooraleer aan de race te beginnen. Als alle bolides op de startgrid staan wordt er eerst een opwarmronde afgelegd, waarbij de wagens in de volgorde van de startgrid nog een ronde afleggen. Van zodra de bolides opnieuw op de startgrid geparkeerd staan, kan de koersdirectie overgaan tot de startprocedure.

Overstuur (oversteer) (#)

Een bolide kent overstuur in een bocht als de achtertrein minder grip heeft in vergelijking met de voortrein. De achterkant neigt dan rechtdoor te gaan, terwijl de voortrein de bocht normaal neemt. M.a.w. de achterkant van de wagen breekt uit.

Paddles (#)

De piloot schakelt aan de hand van 2 hefbomen achteraan het stuur. Er is bovendien nog 1 grote hefboom waarmee men de koppeling kan bedienen.

Paddock (#)

De paddock is de ruimte achter de pitboxen. Daar bevinden zich de trucks, hospitality units, motorhomes van teams, bandenleveranciers en andere sponsors. In de F1 is dit een voor het normale publiek afgesloten ruimte. Enkel met een speciale pas kan men toegang verkrijgen tot de paddock.

Parc Fermé (#)

Zoals het woord zelf zegt is dit het gesloten wagenpark van de F1. Na de race en, door de nieuwe regelingen, ook na de kwalificatie, gaan de wagens naar het parc fermé. Zo kunnen de scrutineers (de mensen die onderzoeken of de wagen al dan niet reglementair is) rustig hun werk doen. Doordat men na de kwalificatie niets meer mag wijzigen aan de bolides, tenzij de aanpassing ten goede komt aan het comfort van de piloot, worden de wagens tot en met zondagmorgen, vlak voor de race , bewaard in het parc fermé.

Pitbord (#)

Aan de hand van het pitbord krijgt de piloot informatie over zijn rondetijden, achterstand op voorligger, voorsprong op achterligger, het resterend rondenaantal en of hij al dan niet moet pitten.

Pitmuur (#)

Sinds 1970 moet er tussen het circuit en de pitlane een verplichte muur aanwezig zijn. Voorheen gebruikte men vaak een witte markeringslijn als scheiding.

Pits (#)

De pits of pitlane is dat deel van het circuit waar de bolides hun pitstops maken. Het woord ‘pits’ komt van het Engelse pit. Vroeger was er in de pitlane een diepe gracht, een put dus, waar de mecaniciens inzaten.

Pitstop (#)

Een pitstop wordt gebruikt om de banden van de bolide te vervangen en/of de benzinetank te vullen. De banden worden op een 4-tal seconden verwisseld. Het vullen van de benzinetank duurt normaal gezien, tenzij men enkel een splash and dash doet, langer, van 6 tot 10 seconden. Het verwisselen van banden en het benzine tanken mag tegelijk gebeuren. Een stop zal dus tussen 6 en 10 seconden duren, indien er geen problemen opduiken.

Pole Positie (#)

De pole positie is voor de piloot die tijdens de kwalificatie de snelste tijd kon neerzetten. Die rijder mag dan helemaal vooraan op de grid plaatsnemen voor de start van de race.

Propere lucht (#)

Deze lucht bevat geen turbulentie en levert goede downforce als ze de vleugels passeert.

Protest (#)

Een team kan bij de raceleiding protesteren tegen een handeling van de concurrentie die zij illegaal achten.

Rembalans (#)

De rembalans slaat op de verdeling van de remkracht over de voor- en achterremmen. Meer remkracht op de voorremmen betekent een krachtiger afremmen, maar dat verhoogt tevens de kans op het blokkeren van de remmen.

Roll-out (#)

De roll-out slaat op de circuitdoop van een nieuwe bolide.

Safety Car (#)

De safety car (SC) is een interventiewagen die de race kan neutraliseren. Als de situatie niet ernstig genoeg is voor een rode vlag, maar wel ernstiger dan een (dubbele) gele vlag; zal de koersdirectie de SC op pad sturen. Op die moment is er een full course yellow situatie. Over het hele circuit wordt de gele vlag gezwaaid, samen met het bord ‘SC’.

Scrutineering (#)

Scrutineering is het grondig onderzoeken van de wagen. Er wordt nagegaan of de wagen voldoet aan de reglementen. Tijdens de oefensessies selecteert men willekeurig wagens die de pits binnenrijden. Na de kwalificatie en de race wordt elke wagen onderzocht. De controles tijdens de vrije sessies zijn niet volledig. Men controleert op enkele, willekeurige elementen. Na de race wordt echter alles nagekeken.

Shakedown (#)

De shakedown van bolides is het inrijden van de chassis’ die de volgende GP ingezet zullen worden. Men voert dan een algemene systeemcontrole uit, zodat alle electronica werkt.Tijdens een shakedown mag men niet meer dan 50 km afleggen.

Sidepod (#)

Sidepods bevinden zich, zoals het woord zegt, aan de zijkant van de bolide. In de sidepods bevinden zich de radiatoren om olie en water te koelen. Vooraan bevindt zich een opening voor de lucht, die via de splitter en barge boards naar de sidepods geleid wordt. Achteraan versmallen de sidepods om zo een cokebottleshape te creëeren.

Slicks (#)

Dat zijn banden zonder profiel. Over het hele oppervlak zijn ze dus vlak. Daardoor zijn het ook goede racebanden omdat men een maximum aan grip kan verkrijgen.

Slipstream (#)

De slipstream is de luchtstroming achter een bolide. Als men vlak achter een bolide zit, kan men van die slipstream profiteren om op de voorligger te naderen. De bolide wordt aangezogen door de slipstream. Het enige nadeel met de huidige bouw van achtervleugels is dat als men te dicht op de voorligger nadert, men zowat alle downforce op de voortrein verliest.

Spin (#)

Bij een spin zal de achterkant uitbreken, zoals bij overstuur. Als de piloot een oversturende wagen niet meer kan controleren, resulteert dat in een spin.

Splash and Dash (#)

Een splash & dash is een korte pitstop, waarbij men enkel benzine bijtankt, omdat de piloot door een benzinetekort anders de finish niet zou halen.

Spoiler (#)

Zie vleugel.

Steward (#)

De stewards zijn de mensen die de incidenten op het parcours moeten beoordelen en, indien nodig, sanctionneren. De stewards zijn nooit hetzelfde. Er is altijd 1 steward van het land waarin de GP verreden wordt, en 2 stewards van elders.

Stop-and-Go Penalty (#)

Een stop & go is een straf waarbij de piloot de pits moeten binnenkomen en voor zijn pitbox moet stoppen, 10 seconden halt houden en dan weer vertrekken.

Superlicentie (#)

Om aan de Formule 1 te mogen deelnemen, moeten de piloten in het bezit zijn van een superlicentie. Hiervoor moeten ze meer dan 300 kilometer afleggen in een F1-bolide. Het is tevens voldoende dat men in de laatste twee seizoenen F3000 5 maal een podium behaald heeft. De FIA kan een piloot ook een voorlopige superlicentie toekennen, die per enkele races verlengd kan worden, totdat men van oordeel is dat hij een superlicentie verdient.

Tear-off-strips (#)

Tear-offs zijn strips die in meerdere lagen op het vizier van de helm gekleefd worden. Tijdens de race kan de piloot met een kleine beweging een tear-off aftrekken om dan weer een zuiver zicht te hebben. Op het vizier komt er tijdens de race heel wat smurrie terecht van op het circuit of andere wagens.

Telemetrie (#)

Allerhande gegevens over de prestaties en het gedrag van de wagen worden door software in de boordcomputer van de wagen doorgeseind naar de computers in de pitboxen. Hierdoor kan men in de pitlane exact weten wat er in de wagen gebeurt. Het is dus mogelijk om snel opkomende problemen te signaleren. Men mag enkel data doorgeven van wagen naar pits en niet omgekeerd.

Tractie (#)

Tractie is de overbrenging van de ronddraaiende beweging van de aangedreven wielen op het asfalt.

Tractiecontrole (traction control) (#)

Tractiecontrole is een softwaresysteem dat nagaat of snelheid en toerentallen van de wielen overeenkomen met de snelheid van de wagen. Als dit niet het geval is, spinnen de achterwielen. Tractiecontrole kan op meerdere manieren ingrijpen om toch een overeenstemming te bekomen. Meestal worden er een of meerdere cilinders afgesloten, totdat het verschil in snelheden weggewerkt is. Als een cilinder afgesloten wordt, klinkt de motor rauwer dan gewoonlijk.

Uitlaat (#)

De uitlaat is de weg om de hete gassen, geproduceerd door de motor, naar de buitenlucht te begeleiden. Een F1 kent eigenlijk 10 uitlaten, 1 per cilinder. Deze 10 monden dan uit in 2 aparte uitlaten, 1 per reeks van 5 cilinders. De uitlaten worden zo gekruld dat als ze samenkomen de temperatuur van de gassen gelijk zijn.

Vleugel (#)

Een vleugel is een van de manieren waarmee men op F1-bolides downforce genereert. De vorm van een vleugel op een racewagen is het omgekeerde van een vliegtuigvleugel. Hier is de bolle kant naar onderen gericht. Daar moet de lucht een grotere afstand afleggen dan de lucht die langs boven over de vleugel stroomt. Dit creëert onderaan een gebied van onderdruk, waardoor de wagen op het wegdek gezogen wordt.

Vliegende start (#)

Een vliegende start wordt gegeven als de wagens, na de formatieronde, niet eerst dienen stil te staan. Ze komen traag, in startgrid formatie, aangereden en van zodra de startvlag gezwaaid wordt of de groene lichten aangaan, wordt de start gegeven. Men mag pas inhalen na het overschrijden van de finishlijn.

Voorvleugel (#)

Één van de twee vleugels van een bolide is de voorvleugel. In vergelijking met de achtervleugel genereert deze weinig downforce. Hij dient ook om de luchtstroming in de richting van de splitter en rond de voorwielen te geleiden.

Wheelspin (wielspin) (#)

Wheelspin ontstaat als de achterwielen geen tractie hebben. Ze draaien wel, maar deze beweging wordt niet (of toch minder dan normaal) overgedragen op het asfalt. Bij de start heeft dit als effect dat de wagen minder snel van zijn startpositie zal vertrekken.

Wing (#)

Zie vleugel.

Tussenstand F1 seizoen

01. Sebastian Vettel 177 pt.
02. Lewis Hamilton 176 pt.
03. Valtteri Bottas 154 pt.

Volledige stand →

F1Journaal Fotogalerij