Mercedes

Team: Mercedes
Wagen: F1 W08 EQ Power+
Motor: Mercedes
Banden: Pirelli

Rijder 1: Lewis Hamilton
Rijder 2: Valtteri Bottas
Testrijders: - f1 wagen Mercedes

Geschiedenis

Opgericht:
Brawn GP verrees in 2009 uit de assen van het Honda F1 team. De oorsprong van het team gaat terug tot het team van Ken Tyrrel dat in 1999 werd overgenomen door British American Racing. Daaruit vloeide het Honda F1 team voort en sinds 2009 dus Brawn GP. Eind 2009 werd Brawn GP overgenomen en omgedoopt tot Mercedes GP.

Basis:
Brackley, Northans, Engeland

1968-1975: Gouden tijden met Jackie Stewart
In 1968 zet Ken Tyrrell zijn eerste stappen in de Formule 1. De door hem aangeschafte Ford Cosworth- motor brengt hij onder in een Matra-chassis, met als coureur Jackie Stewart. Al snel blijkt het een fantastische combinatie te zijn. In ‘69 wordt Stewart al wereldkampioen met zes overwinningen. Een jaar later stopt Tyrrell echter de samenwerking met Matra. De Engelsman richt zijn eigen renstal op en begint het seizoen 1970 met een March-chassis. In datzelfde jaar bouwt Tyrrell zijn eigen wagen. Op 20 september 1970 rijdt Stewart voor het eerst in de Tyrrell-Ford. Hoewel hij meteen van pole-position start, moet hij halverwege de race opgeven.

In ‘71 is naast Stewart de Fransman Franccedilois Cevert als tweede rijder aangetrokken. De eerste Grand Prix in Zuid-Afrika eindigt Stewart nog als tweede, maar een race later in Spanje behaalt de Schot op 18 april 1971 de eerste overwinning voor Tyrrell. Hierna wint hij nog vijf keer en wordt hij met overmacht wereldkampioen. Aangezien Cevert als derde eindigt in de eindstand wordt ook de constructeurstitel binnengehaald.

Hoewel Stewart in 1972 ook vier overwinningen behaalt, moet hij de wereldtitel toch afstaan aan de Braziliaan Emerson Fittipaldi. Een maagzweer zet hem even buitenspel. Een jaar later is Stewart weer met afstand de beste. Via zeges in Zuid-Afrika, België, Monaco, Nederland en Duitsland weet hij voor de tweede keer in een Tyrrell wereldkampioen te worden. Het seizoen eindigt echter dramatisch als Cevert in de training van de Grand Prix van Amerika dodelijk verongelukt. Stewart heeft dan al besloten te stoppen.

In 1974 moet Ken Tyrrell daarom met twee nieuwe coureurs verder. Het worden de Zuid-Afrikaan Jody Scheckter en het Franse talent Patrick Depailler, die al eerder enkele races voor het team reed. In het begin moet het tweetal nog wennen aan de wagen, maar in de Grand Prix van Zweden wint Scheckter voor Depailler. Ook in Engeland komt Scheckter als eerste over de finish. Hij eindigt als derde in de titelstrijd. Tyrrell wordt derde in de eindstand bij de constructeurs.

In ‘75 worden de resultaten minder. Hoewel Scheckter in zijn thuisland nog wel wint, behaalt hij niet zoveel punten meer. Ook Depailler scoort maar twaalf punten.

1976-1983: Niet altijd even rooskleurig
In 1976 komt Ken Tyrrell met een nieuw model, waarmee hij geschiedenis schrijft. De wagen heeft niet vier maar zes wielen! Opnieuw wint Scheckter in Zweden voor zijn teamgenoot. Het tweetal behaalt met de nieuwe wagen 71 punten. Scheckter eindigt als derde in de eindstand, Depailler als vierde. De Zuid-Afrikaan verlaat aan het einde van het seizoen het team en wordt vervangen door het Zweedse talent Ronnie Peterson. Het concept met de zeswieler werkt echter niet goed meer en er worden teleurstellend weinig punten behaald. Een tweede plaats van Depailler in Canada is het beste resultaat voor het team.

In ‘78 is Peterson al weer vertrokken en hij wordt vervangen door Didier Pironi. Ook wordt er dit seizoen gewoon weer gereden op vier wielen. Depailler begint het seizoen goed. In Monaco wint hij zelfs zijn eerste Grand Prix, maar uiteindelijk zakt hij toch weer een beetje weg. Aan het einde van het seizoen vertrekt hij naar Ligier. Jean-Pierre Jarier vervangt hem bij Tyrrell.  Echt succesvol kan het seizoen niet genoemd worden. Vier derde plaatsen is het hoogst haalbare.

Het kan echter nog erger want in 1980 worden slechts twaalf punten gescoord door Jarier en zijn nieuwe teammaat Derek Daly. De wagen blijkt niet meer met de toppers mee te kunnen komen.
Ken Tyrrell heeft ook niet zo’n vertrouwen in zijn coureurs en trekt daarom voor 1981 twee nieuwe coureurs aan. Eddie Cheever wordt eerste rijder en vanaf de Grand Prix van San Marino is de snelle Michele Alboreto de tweede man. Toch worden er maar tien punten behaald.

In ‘82 kan Cheever dus weer vertrekken. Alboreto wordt de kopman van het team. Hoewel het team financieel bijna aan de grond zit, worden er dit jaar toch wat successen geboekt. Tijdens de Grand Prix van Engeland rijdt Brian Henton in de tweede Tyrrell verrassend de snelste ronde en bij de laatste Grand Prix in Las Vegas is de sensatie compleet als Alboreto de race wint. Eindelijk is er weer eens een overwinning voor het Tyrrell-team, waardoor er meteen interesse ontstaat van sponsors.

Benetton wordt de nieuwe sponsor voor 1983. Ook in dit jaar rijdt Alboreto naar een overwinning. Op 5 juni 1983 wordt de voorlopig laatste zege voor Tyrrell behaald in de straten van Detroit.

1984-1990: Het gaat alsmaar slechter
In 1984 is Alboreto vertrokken naar Ferrari en de twee rijders voor het nieuwe seizoen zijn Martin Brundle en Stefan Bellof. Zij moeten met hun conventionele Ford Cosworth-motoren het opnemen tegen het turbogeweld van de andere teams. De resultaten zijn nog niet eens zo slecht. Bellof rijdt een sensationele race in Monaco en wordt als derde afgevlagd. Brundle eindigt in Detroit als tweede. Helaas blijkt het allemaal vergeefse moeite te zijn geweest. Omdat er loodkogeltjes in de benzinetank van de Engelsman worden aangetroffen, worden alle resultaten van het team in 1984 geschrapt, Tyrrell wordt zelfs uitgesloten van verdere deelname aan het WK.

Halverwege het seizoen 1985 krijgt Tyrrell eindelijk ook turbo-motoren. Met de Renault-motor wordt Philippe Streiff in de laatste race in Australië derde. Tijdens dit seizoen komt Stefan Bellof te overlijden bij een sportscar-race in België. In 1986 behaalt het duo Brundle/Streiff elf punten, waardoor Tyrrell als zevende eindigt in de strijd om de constructeurstitel. Een jaar later rijdt het team weer met de Ford Cosworth-motor, omdat er in ‘88 niet meer met turbo- motoren gereden mag worden. In het overgangsjaar worden opnieuw elf punten gehaald.

Ken Tyrrell denkt in 1988 weer kansen te hebben, nu er geen turbo-motoren meer zijn. Hij heeft het echter goed mis. Eerste rijder Jonathan Palmer scoort vijf punten, tweede man Julian Bailey behaalt geen enkel punt.
Om weer zo’n slecht jaar te voorkomen haalt de teambaas Michele Alboreto terug. In Mexico eindigt de Italiaan meteen als derde. Talentenjager Tyrrell heeft dan al weer iemand anders op het oog. Het Franse talent Jean Alesi vervangt Alboreto halverwege het seizoen omdat de Italiaan problemen heeft met de hoofdsponsor. In zijn eerste race wordt Alesi onmiddellijk vierde. Daarna haalt hij nog meer punten waardoor het Tyrrell-team eindelijk weer eens in de top vijf eindigt bij de constructeurs. In Canada rijdt Palmer ook nog de snelste ronde.

De verwachtingen voor 1990 zijn groot. Naast Alesi wordt de Japanner Satoru Nakajima aangetrokken. Tijdens de eerste Grand Prix van het seizoen in Phoenix zijn er de nodige verrassingen. Alesi neemt de leiding en moet uiteindelijk alleen Ayrton Senna voorbij laten. Ook in Monaco wordt hij tweede achter de Braziliaan, daarna is de koek echter op. De nieuwe wagen baart opzien: ontwerper Harvey Postlethwaite introduceert de tegenwoordig vanzelfsprekende hoge neus.

1991-1998: De ondergang
Ook in 1991 begint het goed voor het Tyrrell-team, dat een jaar lang met Honda-power rondrijdt. De vervanger voor de vertrokken Alesi, Stefano Modena, eindigt bij de eerste race als vierde, Nakajima als vijfde. In Canada wordt Modena zelfs tweede en hij eindigt aan het einde van het seizoen als achtste in de eindstand.  In ‘92 wordt er het nodige veranderd in het team. Er komen twee nieuwe coureurs (Olivier Grouillard en Andrea de Cesaris), een nieuwe motor en een nieuwe ontwerper. Echt veel vooruitgang boekt het team hier niet door. De Cesaris haalt acht punten.

In 1993 wordt daarom opnieuw van motor gewisseld. Yamaha wordt de nieuwe krachtbron achter in de Tyrrell. Ukyo Katayama vervangt Grouillard. Het ziet er aan het begin van het seizoen nog zo mooi uit, maar schijn bedriegt. Voor het eerst in de historie van het Tyrrell-team - de diskwalificatie in 1984 even niet meegerekend - wordt er geen enkel punt behaald. Een tiende plaats is het beste resultaat van dat jaar.

Met frisse moed begint Ken Tyrrell echter weer aan het volgende seizoen. De Cesaris is vervangen door Mark Blundell. In de eerste race van het jaar in Brazilië rijdt Katayama de Tyrrell naar een vijfde plaats. De eerste punten zijn binnen en slechter dan het jaar ervoor kan al niet meer! Met de race neemt het vertrouwen toe en in Spanje eindigt Blundell zelfs als derde. Eindelijk weer eens coureur van het Tyrrell-team op het podium. Uiteindelijk scoort het team dertien punten.

In 1995 gaat Blundell naar McLaren en wordt vervangen door de Fin Mika Salo. Hij behaalt de enige vijf punten van het verder teleurstellende jaar. Ook in ‘96 worden er slechts vijf punten gescoord door het ooit zo succesvolle team. Salo verdient opnieuw alle punten voor Tyrrell, waar Harvey Postlethwaite inmiddels is teruggekeerd. Katayama is voor het tweede achtereenvolgende seizoen puntloos. In ‘97 wordt hij dan ook vervangen door Jos Verstappen. Ondanks het feit dat het team dan dus beschikt over twee getalenteerde rijders rijdt de Tyrrell het hele seizoen in de achterhoede. Salo haalt met geluk twee puntjes in Monaco, meer zit er echt niet in.

Het team begon aan het seizoen van ‘98 wetende dat het aan het eind van het jaar opgedoekt zou worden om plaats te maken voor British American Racing oftewel BAR. Met Ricardo Rosset en Toranosuke Takagi om de auto’s te besturen, moest het laatste jaar een niet al te grote afgang worden. De auto zag er verassend goed uit en was ook nog snel (voor een Tyrrell). Takagi kwalificeerde goed, twee keer als dertiende, en eindigde twee keer op de negende plaats. Helaas haalde hij dus geen punten binnen, maar hij was veel beter dan zijn teamgenoot die zich vier keer niet kwalificeerde. Na 31 jaar is Tyrrell nu uit de Formule 1 verdwenen.

1998-2000: Overname door BAR is een feit
Tyrrell begint aan het seizoen 1998 in de wetenschap dat het team aan het eind van het jaar wordt opgedoekt. De nieuwe teambaas Craig Pollock heeft Tyrrell louter en alleen gekocht om zich van een plekje in de Formule 1 te verzekeren. Tyrrell zal in zijn geheel verdwijnen om plaats te maken voor British American Racing. Met het B-garnituur Ricardo Rosset en Toranosuke Takagi in de cockpits is het enige doel van het jaar een niet al te grote afgang. De auto is een goed ontwerp, maar helaas ontbreekt het aan de nodige pk’s. Takagi kwalificeert zich hier en daar goed, twee keer zelfs als dertiende, en eindigt tweemaal op de negende plaats. Helaas slaagt hij er niet in punten binnen te halen, want van Rosset hoeft het team al helemaal niets te verwachten. De Braziliaan kwalificeert zich vier keer niet en doet Tyrrell daarmee tekort. En zo verdwijnt Tyrrell na 31 jaar roemloos uit de Formule 1.

De plannen voor 1999 onder de nieuwe vlag van BAR zien er goed uit. Er is een enorm budget, een uitstekende fabriek, veel en goed personeel en een ex-wereldkampioen: Jacques Villeneuve. Het mag allemaal niet baten, want BAR maakt een rampdebuut in de Formule 1. De uitvalbeurten zijn niet te tellen en de punten hoeven niet geteld te worden. BAR blijft steken op nul. Hoewel overwinningen en zelfs podiumplaatsen opnieuw uitblijven, kan BAR met tevredenheid terugkijken op het seizoen 2000. Met de hulp van de nieuwe motorenleverancier Honda is er een forse stap gemaakt van de achterhoede naar de middenmoot en belangrijker nog: alle elementen zijn op hun plaats voor successen in de nabije toekomst. BAR eindigt op een fraaie vijfde plaats in het constructeurskampioenschap, met een gelijk aantal punten als nummer vier Benetton. En eigenlijk is er ook een beetje een overwinning: ondanks aanbiedingen van teams die zich ruimschoots bewezen hebben, blijft Jacques Villeneuve BAR trouw.

2001: Ontevredenheid
Vooral Jacques Villeneuve is dit seizoen ontevreden. Hij wil als vanouds weer winnen. Hij behaalt 2keer een derde plaats maar zeurt het hele seizoen.  Andere rijder Olivier Panis bahaalt ook zijn punten, maar verder dan 17 punten komt het team niet. Het verslaat wel Jordan, dat net zoals BAR Honda-motoren heeft. Echt verslaan is het niet want beide teams behalen een zelfde aantal punten maar door de 2 podiumplaatsen van Villeneuve is BAR 5de geworden. Eind oktober werd bekend gemaakt dat Geoffrey Willis het team voor 2002 komt versterken. Willis wordt technisch directeur en was eerder actief als aërodynamica specialist bij Williams.

2002-2005: Grote schoonmaak en het einde van BAR
BAR maakt in het begin van het jaar 2002 schoonmaak in het team. Teambaas en stichter van BAR Craig Pollock moet opstappen, zijn plaats wordt ingenomen door David Richards die vanaf dan het team met ijzeren hand zal leiden. De gehoopte resultaten worden in de eerste races meteen aan diggelen geslagen, men kan niet mee met de sub-top. Richards beslist dan om enkele mensen die niet nodig zijn in het team te elimineren en eventueel te vervangen door betere mensen. Naarmate het seizoen het einde nadert beginnen er bij BAR toch enkele zonnestralen te schijnen in de donkere fabrieken. Olivier Panis krijgt tijdens het seizoen te horen dat hij voor volgend jaar niet een nieuw contract zal krijgen. Jacques Villeneuve zal waarschijnlijk na 2002 ook een nieuwe baan moeten zoeken maar zover kwam het nog niet.

De rijders aan het begin van het seizoen 2003 zijn Jacques Villeneuve en Jenson Button. Villeneuve moet echter halfweg het seizoen plaats maken voor de Japanner Takuma Sato. Het werd een moeilijk seizoen voor BAR-Honda mede door de Bridgestone banden. In 2004 kende BAR-Honda een uitstekend seizoen. Jenson Button kon heel wat podiumplaatsen veroveren en het team werd zo tweede in het constructeurskampioenschap. De invloed van motorenleverancier Honda werd in 2004 stillaan groter. Aan het einde van het jaar had Honda 45% van de aandelen in handen. Teambaas Dave Richards moest plaatsmaken voor Nick Fry.

2005 werd een dieptepunt voor BAR. Er was een sterke start van het seizoen maar in San Marino werd het team gediskwalificeerd omdat de wagen niet voldeed aan het minimumgewicht. Na twee wedstrijden aan de zijlijn keerde het team terug op de grid en veroverde nog wat punten. Aan het einde van 2005 raakte bekend dat Honda het team volledig zou overkopen.

2006-2008 De Honda jaren
Vanaf het seizoen 2006 ging het team dus verder onder de naam Honda F1. In het eerste jaar behaalde Jenson Button meteen de eerste overwinning voor de Japanse constructeur in een regenrace op de Hungaroring. De toekomst zag er op dat moment goed uit. Honda behoorde tot de sterkste teams aan het einde van 2006. 2007 werd het jaar van de teleurstelling. Honda verscheen in Australië op de grid met de nu al beruchte “Earth Car”. Een wagen zonder sponsors maar met een tekening van de aarde als lay-out. Honda wilde zo de aandacht vestigen op de milieuproblematiek. De Honda RA107 kwam echter amper in beeld door de slechte prestaties.

Ook in 2008 verging het HondaF1 niet beter. Toch was er hoop voor het team nadat meester-strateeg Ross Brawn werd voorgesteld als nieuwe teambaas. Brawn kondigde meteen aan dat het team zich volledig zou gaan concentreren op 2009, aangezien de wagen voor het seizoen 2008 tot de slechtste op de grid behoorde. Aan het einde van 2008 kondigde Honda dan aan dat het zich zou terugtrekken uit de Formule 1. Een schok voor de fans maar ook voor het team zelf.

2009: Het sprookje van Brawn GP
Voor het seizoen van 2009 werd er gezocht naar een nieuwe eigenaar voor HondaF1, dat stopte wegens de crisis en de slechte resultaten. Drie weken voor de start van het seizoen besloot teambaas Ross Brawn het team te kopen. Bij de eerste tests verdachten de andere teams Brawn er van met een veel te lichte wagen te rijden. De wagen was namelijk meer dan een seconde sneller dan de rest, maar er was dan wel al lang aan gewerkt in 2008. Tijdens de eerste Grote Prijs van het seizoen bewees Brawn GP toch meteen zijn efficiëntie met een dubbelslag met Jenson Button op één en Rubens Barrichello op twee.

De Brit won zes van de eerste zeven grote prijzen, maar voor de rest niets meer. Sebastian Vettel kon hem nog bedreigen, maar met nog één race te gaan werd Button kampioen. Barrichello moest zijn tweede plek afgeven aan Vettel, maar won wel twee races. Brawn haalde ook de constructeurstitel binnen, voor de eerste en laatste keer in haar 1-jarig bestaan.

2010: Mercedes GP
Kort na het seizoen 2009 werd bekend dat Mercedes Brawn GP had gekocht. Al snel werd Nico Rosberg gepresenteerd als de eerste rijder. Na veel gespeculeer en fysieke tests kon het Duitse team ook Michael Schumacher aan het publiek voorstellen als rijder. Het team was echter niet zo succesvol als Brawn en de zevenvoudig wereldkampioen had ook niet meer de vorm van vroeger. Het seizoen eindigde voor Mercedes met drie podia en een vierde plaats bij de constructeurs.

2011: Nog steeds op weg naar de top?
Mercedes beleefde opnieuw geen topseizoen in 2011. Het kon zijn ambities om vanuit de subtop naar de top door te klimmen opnieuw niet waarmaken en eindigde in het klassement op ruime afstand van Red Bull, McLaren en Ferrari. Rosberg en Schumacher behaalden respectievelijk de zevende en achtste positie in het klassement. Hoogtepunten voor het team in 2011 waren de vierde positie voor Schumacher in Canada en de derde positie voor Rosberg in Turkije.

2012: Mercedes boekt geen vooruitgang
Na het mindere seizoen van Michael Schumacher in 2011, wou Mercedes er iets aan doen. De wagen werd meer gebouwd naar de zevenvoudig wereldkampioen, maar zo kon hij enkel dichter bij Nico Rosberg geraken. Slechts een paar keer kon Schumacher zich de beste bij Mercedes noemen. De Duitser kreeg bovendien met heel veel pech af te rekenen. Het team was goed aan het begin en kon door het dubbele DRS en een goede topsnelheid wel een paar uitslagen afleveren. Hoogtepunt was de overwinning van Rosberg. Naarmate het seizoen vorderde werd Mercedes bijgehaald en zakten ze weg in het kampioenschap. Met drie podiumplaatsen kwam Mercedes terecht op een vijfde plaats.

2013: Mercedes zet serieuze stap voorwaarts
Na drie matige seizoenen, waarin Mercedes slechts één zege kon behalen, werd Lewis Hamilton binnengehaald. De Brit drukte meteen zijn stempel op het team uit Brackley. De Brit behaalde in Hongarije zijn eerste zege voor Mercedes, nadat Nico Rosberg al op het hoogste schavotje mocht plaatsnemen in Monaco en Silverstone.

Mercedes was overigens het enige team dat Red Bull Racing kon kloppen tijdens de kwalificaties. De Duitse constructeur behaalde acht poleposities, waarvan vijf stuks voor Lewis Hamilton en drie voor Nico Rosberg.

2014: dominantie
2014 was het F1-seizoen dat Mercedes zou domineren na de invoering van de V6-turbomotoren. Al snel bleek dat de motor die Mercedes ontwikkeld had superieur was ten opzichte van de concurrentie. In combinatie met hun eigen wagen was Mercedes nauwelijks te bedreigen. Op 19 races behaalde de Duitse constructeur 16 overwinningen, waarvan 11 in combinatie met een tweede plaats, 18 poleposities en 12 snelste rondes. Daarmee behaalden ze de constructeurstitel en de rijderstitel met Lewis Hamilton. De sfeer binnen het team was dan wel weer minder door de interne strijd tussen Hamilton en Rosberg die voor enkele incidenten zorgden.

2015: nog beter dan vorig jaar
Nadat de Zilverpeilen het seizoen 2014 domineerden, waren ze ook sneller dan wie dan ook tijdens het tweede seizoen van het ‘V6-tijdperk’. Hoewel er tijdens het seizoen 2015 meer tegenstand kwam van onder andere het herboren Ferrari, wist Hamilton voor het tweede jaar op rij het kampioenschap te winnen. De titel bij de constructeurs was ook dit jaar voor het Duitse team. Tijdens zestien van de negentien Grote Prijzen mocht er een Mercedes-rijder zegevieren. Daarmee evenaren ze hun record van het jaar voordien. Verder behaalde Mercedes ook twaalf zogenaamde ‘één-twee’ overwinningen, wat één beter is dan in 2014.

2016: buiten categorie
Mercedes ging in 2016 verder op het elan van 2015. De zilverpijlen wonnen zo goed als elke race. Enkel in Spanje, toen beide wagens elkaar uit de race reden, en in Maleisië, toen Hamilton kort voor het einde uitviel, kon een Red Bull de overwinning pakken. Resultaat: Mercedes werd met een straat voorsprong constructeurskampioen.

De titelstrijd bij de rijders was veel spannender. Nico Rosberg kende een uitstekende start van het seizoen met vier overwinningen op rij. Daarmee nam de tweevoudige runner-up meteen een grote voorsprong op titelverdediger Hamilton. In de volgende race, die van Spanje, crashten beide rijders in elkaar bij de start. De relatie tussen de ploegmaats verzuurde nog meer dan het voorgaande seizoen.

Hamilton wist nog wel terug te knokken en nam voor de zomerbreak de leiding in het klassement over van Rosberg. Die startte na de zomerbreak dan weer furies met enkele overwinningen op rij om zo op kop aan het laatste deel van het seizoen te beginnen. Hamilton viel dan uit in Maleisië, waardoor het verschil ineens groot werd. Te groot voor de Brit, want ondanks vier overwinningen in de laatste vier races, kroonde Nico Rosberg zich voor de eerste keer in zijn carrière tot wereldkampioen. En meteen ook voor de laatste. Rosberg hing enkele dagen na de slotrace in Abu Dhabi zijn helm aan de haak.

Verwante nieuwsitems

23 maa 2017
Bottas: “Geen schrik om de nummer twee te worden”
22 maa 2017
VIDEO: Lewis Hamilton legt ons uit wat er nieuw is in 2017
21 maa 2017
Susie Wolff speelt rijbewijs voor een half jaar kwijt
21 maa 2017
“F1-fans zullen opgewonden raken door de ‘agressieve’ F1-bolides”
20 maa 2017
VIDEO: F1-pitstops in 2017

Tussenstand F1 seizoen

01. Nico Rosberg 367 pt.
02. Lewis Hamilton 355 pt.
03. Daniel Ricciardo 246 pt.

Volledige stand →

F1Journaal Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws, onze acties en wedstrijden. Vul hieronder uw emailadres in:

F1Journaal Fotogalerij

 
image