Ferrari

Team: Ferrari
Wagen: Ferrari SF70H
Motor: Ferrari
Banden: Pirelli

Rijder 1: Sebastian Vettel
Rijder 2: Kimi Räikkönen
Testrijders: Antonio Giovinazzi f1 wagen Ferrari

Geschiedenis

Opgericht:
Ferrari werd in 1929 opgericht door Enzo Ferrari, de F1-stal in 1946.
Basis:
Maranello (Italië).

1950-1960: Begin van een glorierijk team
De eerste zege van Ferrari wordt behaald door Froilan Gonzalez op 14 juli 1951 in Silverstone. Het begin van een lange reeks zeges. In 1952 wint Alberto Ascari zes Grand Prix’s achter elkaar en wordt gekroond tot de eerste wereldkampioen in een Ferrari. Een jaar later is hij opnieuw de beste coureur en wint hij vijf races. Hierna neemt de overmacht van de Italiaanse renstal tijdelijk af. In 1956 gaat Ferrari een samenwerking aan met Lancia. Het blijkt een gouden combinatie, want Juan Manuel Fangio wordt onmiddellijk wereldkampioen. Omdat Fangio niet goed met Enzo Ferrari kan opschieten, vertrekt hij na één seizoen. Ferrari beleeft een rampjaar en behaalt geen enkele zege. In 1958 wordt alles weer goed gemaakt. Met slechts één overwinning, maar met vijf tweedeplaatsen wordt Mike Hawthorn zeer verrassend de derde wereldkampioen voor Ferrari. In de volgende twee jaren zijn er nog wat kleine successen te vieren, maar geen kampioenschappen meer.

1961-1970: Van goed naar slecht
In 1961 behaalt Ferrari voor de eerste keer de constructeurstitel. De titel bij de coureurs lijkt naar de Ferrari-coureur Wolfgang von Trips te gaan. In Monza verongelukt hij echter dodelijk en zijn teamgenoot Phil Hill wordt wereldkampioen. Maar net zoals eerder het geval was: na een kampioenschap volgt een slecht seizoen. Een tweede plaats voor Hill in Monaco is het beste resultaat. In ‘63 behaalt ex- motorcoureur John Surtees de enige zege voor Ferrari. Een jaar later wordt hij met een punt voorsprong op Graham Hill wereldkampioen. Ferrari pakt voor de tweede keer de constructeurstitel. Het enige hoogtepunt in 1966 is de dubbele Ferrari overwinning bij de GP van Italië, waar Luigi Scarfiotti en Mike Parkes als eerste en tweede eindigen. De magere jaren volgen. In ‘68 wint alleen Jacky Ickx in de zeker niet langzame Ferrari 312. Het dieptepunt volgt in 1969, waarin de renstal slechts zeven punten scoort. De revival komt in 1970. Met een nieuw wagen wint Jacky Ickx drie GP’s en wordt hij vice-wereldkampioen. Zijn teamgenoot Clay Regazzoni wordt uiteindelijk derde en wint in Italië.

1971-1980: Lauda geeft Ferrari nieuwe bekers
Tot 1973 is het verre van goed bij Ferrari. De toekomst ziet er slecht uit, totdat de Oostenrijker Niki Lauda wordt gecontracteerd. In zijn eerste seizoen voor Ferrari wint hij meteen twee races. In 1975 wordt hij met overmacht wereldkampioen. Hij wint vijf races en daarom wordt ook Ferrari weer eens eerste in de strijd om de constructeurstitel. In 1976 begint Lauda opnieuw oppermachtig. Met vijf zeges lijkt hij onbedreigd op de titel af te gaan, totdat hij op de Nürburgring een zwaar ongeluk krijgt. Hoewel hij wonderbaarlijk snel herstelt wordt James Hunt wereldkampioen. Ferrari wint wel de constructeurstitel. Een jaar hierna neemt de Oostenrijker revanche en wordt hij voor de tweede maal wereldkampioen. Toch vertrekt hij hierna. In 1978 zijn er wel overwinningen van de nieuwelingen Carlos Reutemann en Gilles Villeneuve maar wordt er geen titel behaald. Reutemann vertrekt ook en wordt vervangen door Jody Scheckter. Die wordt in 1979 wereldkampioen met vlak achter hem zijn teamgenoot Villeneuve. Na de dubbele titel van 1979 gaat het goed mis. In ‘80 behaalt het team slechts acht punten. Scheckter stopt als gevolg daarvan met racen.

1981-1990: Afscheid van Gilles Villeneuve en Enzo Ferrari
In 1981 komt Ferrari voor het eerst aan de start met turbomotoren. Gilles Villeneuve wint de GP’s van Monaco en Spanje, maar verder worden er weinig punten behaald. Een jaar later verongelukt de Canadees op Zolder. Zijn teamgenoot Didier Pironi lijkt wereldkampioen te worden, maar hij krijgt een zwaar ongeval op Hockenheim. Ferrari wint wel de constructeurstitel. In ‘83 wordt deze titel ook nog behaald dankzij René Arnoux (drie zeges) en Patrick Tambay (één zege). De volgende twee jaren grijpt Michele Alboreto drie overwinningen voor Ferrari en wordt hij in 1985 vice-wereldkampioen achter Alain Prost. 1986 is voor Ferrari een jaar om snel te vergeten. Een tweede plaats voor Alboreto is het hoogst haalbare. De nieuwe coureur Gerhard Berger redt het seizoen in 1987 door de laatste twee GP’s te winnen. Verder is de wagen niet erg betrouwbaar. In ‘88 is McLaren onverslaanbaar: alle races worden gewonnen, op één na. De Grand Prix van Italië wordt gewonnen door Gerhard Berger. Ferrari eindigt als tweede achter McLaren. Op 14 augustus 1988 overlijdt oprichter Enzo Ferrari op 90-jarige leeftijd. Nigel Mansell vervangt Alboreto en wint in 1989 twee races, Berger is de sterkste in Portugal. In 1990 heeft Ferrari het ijzersterke duo Alain Prost/Nigel Mansell. Desondanks worden er geen titels behaald. De Fransman wint vijf keer, maar Ayrton Senna is te sterk. Mansell wint één race.

1991-2000: Lang wachten op titel wordt eindelijk beloond
Er volgen geen overwinningen in 1991. Prost eindigt teleurstellend vijfde, nieuwkomer Jean Alesi verandert niet veel aan de Ferrari. Prost wordt ontslagen. 1992 is helemaal dramatisch. In 1993 keert Gerhard Berger terug bij Ferrari, maar ook hij kan het tij niet keren. Een tweede plaats voor Alesi in Italië is het beste resultaat. Een jaar later gaat het iets beter. Oud-coureur Niki Lauda is adviseur van het team geworden. Berger wint in Duitsland en eindigt als derde in de titelstrijd. Op 11 juni 1995 wint Jean Alesi eindelijk zijn eerste GP. Toch blijft de Ferrari iets boven de middenmoot en net onder de top. In 1996 is er weer hoop als Ferrari Michael Schumacher contracteert. Er wordt begonnen aan een driejarenplan dat uiteindelijk de titel moet opleveren. Ondanks drie zeges is Schumacher in 1996 niet tevreden met zijn derde plaats. In 1997 strijdt hij om de titel, maar een manoeuvre om rivaal Jacques Villeneuve uit te schakelen kan niet verhinderen dat hij net naast de buit grijpt. Hij wordt nog door de FIA gediskwalificieerd. In lijn met het driejarenplan moet de titel dan maar in 1998 veroverd worden. De F300 is een betrouwbare auto en de strategie van Ferrari geldt als de beste in de Formule 1, maar McLaren heeft gewoon de sterkste auto. Duidelijk is wel dat Ferrari terug is aan de top. 1999 is een raar jaar voor Ferrari. Schumacher heeft een ongelukkig seizoen door een crash op Silverstone, die hem kansloos maakt voor de titel. Hij is voor het meerendeel van het seizoen out en wordt vervangen door de Fin Mika Salo. Eddie Irvine neemt het kopmanschap over. Hij doet dit niet slecht en gaat zelfs als titelfavoriet de slotrace in Japan in. Helaas stelt hij op de drempel van de titel teleur. Het jaar eindigt voor Ferrari met een troostprijs: de constructeurstitel is een stap in de goede richting.

2000-2004: De Schumacher dominantie
In 2000 lijkt ook de rijderstitel er eindelijk van te komen als Michael Schumacher schijnbaar met speels gemak de eerste drie races van het jaar wint. Halverwege het seizoen is hij het slachtoffer van materiaalpech, race-incidenten en zijn eigen overijverigheid. Rivaal Mika Hakkinen kruipt dichterbij en passeert hem zelfs op de ranglijst. Maar na een emotionele zege voor het Italiaanse publiek in Monza raakt Schumacher weer in de winning mood. Hij wint de laatste vier races van het jaar en haalt na 21 jaar de coureurstitel weer naar Maranello. Verder boekt Ferrari zijn tweede constructeurstitel op rij. En blij dat ze er mee waren.

In 2001 gaat door op zijn elan van het vorige seizoen. De Ferrari is verbeterd met een heel speciale neus. Michael Schumacher is al snel wereldkampioen, wint de helft van de races en staat bijna altijd op pole. Teamgenoot Rubens Barrichello deed het ook goed: hij wordt bijna vice-wereldkampioen. Door de aanslagen in de VS rijdt Ferrari in Monza met een zwarte neus rond en zonder sponsoring. Een historisch beeld.

Ferrari start het seizoen 2002 met de F2001, doordat de F2002 niet betrouwbaar is volgens vele insiders bij Ferrari. Later blijkt dit bericht niet te kloppen. Schumacher wint met meteen de eerste GP van het seizoen, vanaf nu is het al meteen duidelijk dat Schumacher de te kloppen rijder word in 2002. In de 2de race kan zijn klein broertje de brokken voor Williams van de vorige race opnieuw lijmen. Bij Williams zijn ze er nu vast van overtuigd dat Ferrari ingezakt is. Niets is minder waar Ferrari wint de volgende race opnieuw. Dit jaar was zeker het jaar van teamorders bij Ferrari, Rubens Barrichello moet verschillende keren opzij gaan voor zijn rivaal Micheal Schumacher. Rubens mag echter ook enkele races winnen. In totaal wint Ferrari 15 van de 17 races en zijn er 9 dubbelzegens bij. In Amerika schrijft het Ferrari team zelfs de overwinning met het kleinste verschil ooit op hun naam.

Het seizoen 2003 brengt de terugkeer van de rivaliteit tussen Ferrari en Mclaren-Mercedes. Voor het eerst in 3 jaar is de bolide van Ferrari niet de dominante wagen op de grid. Het wordt een spannende strijd tussen Michael Schumacher en Kimi Raikkonen maar uiteindelijk is het toch de Duitser die wereldkampioen wordt. Het is meteen de zesde wereldtitel voor Schumacher die daarmee het absolute record aantal titels op z’n naam schrijft.
Tijdens het seizoen 2004 staat er opnieuw geen maat op Ferrari. De wagen is zo mogelijk nog dominanter dan de wagen uit 2002. Schumacher wint 13 van de 18 wedstrijden en wordt voor de zevende keer wereldkampioen. Barrichello pakt de tweede plaats in het kampioenschap.

2005-2006: Schumacher’s laatste strijd
Ferrari kent een erg moeilijk seizoen in 2005. Mede door de nieuwe reglementen komt de Scuderia er nooit aan te pas. De enige Grote Prijs die wordt gewonnen is die van de Verenigde Staten op Indianapolis. Aan die race namen echter maar zes wagens deel nadat de teams met Michelin banden zich terugtrokken uit de wedstrijd. 2005 wordt ook het laatste seizoen van Rubens Barrichello bij de Italiaanse renstal. De Braziliaan wordt in 2006 vervangen door z’n landgenoot Felipe Massa.

In 2006 keert Ferrari terug naar de voorposten. Later dat jaar kondigt Michael Schumacher aan dat hij aan het einde van het seizoen zal stoppen met Formule 1. Toch zet de Duitser zich nog voor 100% in en hij strijdt met Fernando Alonso om de wereldtitel. In de Grote Prijs van Japan, de voorlaatste van het seizoen, slaat het noodlot echter toe. Schumacher moet voor het eerst sinds 2000 opgeven met een motorprobleem en ziet Alonso uitlopen tot 10 punten. De Grote Prijs van Brazilië, de laatste uit Schumacher’s carrière lijkt dan nog maar een formaliteit. Schumacher toont voor een laatste keer z’n racetalent. Vanop de veertiende plaats op de grid wordt hij nog vierde en in z’n allerlaatste rondje rijdt hij nog de snelste tijd.

2007-2008: Een nieuw tijdperk
Het seizoen 2007 brengt heel wat veranderingen bij Ferrari. Niet enkel Michael Schumacher verlaat het team maar ook technisch directeur Ross Brawn en ontwerper Rory Byrne zeggen de renstal vaarwel. De Fin Kimi Raikkonen wordt binnengehaald om Schumacher te vervangen. Raikkonen debuteert onmiddellijk met een overwinning in de Grote Prijs van Australië en de toon lijkt meteen gezet.  Doorheen het seizoen laait de concurrentie met Mclaren opnieuw op. In juli 2007 breekt het spygate schandaal uit. Ferrari maakt bekend dat medewerker Nigel Stepney vertrouwelijke informatie heeft doorgespeeld aan grote concurrent Mclaren. Mclaren wordt uit het constructeurskampioenschap geschrapt waardoor Ferrari daar al de titel op zak steekt. De piloten van Mclaren blijven echter in de running en zorgen samen met Raikkonen voor één van de spannendste seizoensfinales ooit. Raikkonen wint in Brazilië en pakt zo de titel met één punt voorsprong op Lewis Hamilton en Fernando Alonso.

In 2008 is het de Braziliaan Felipe Massa die de kleuren van Ferrari moet verdedigen. Wereldkampioen Kimi Raikkonen lijkt nergens met de Ferrari F2008 en is al snel uitgeteld voor het wereldkampioenschap.  Het wordt een kwakkeljaar voor Ferrari met de ene blunder na de andere. Toch blijft Felipe Massa in de running tot de laatste Grote Prijs in Brazilië. Hij wint die race en lijkt ook enkele seconden wereldkampioen te gaan worden, tot dat Mclaren piloot Lewis Hamilton toch nog als vijfde over de streep komt en de titel voor Massa’s neus weggraait.

2009: off-seizoen
Net als McLaren had Ferrari moeilijkheden met de technische reglementswijzigingen in 2009. Met mondjesmaat kon de scuderia op het podium geraken, als ze al in de punten finishten. Een goede eindklassering behalen werd er niet gemakkelijker op toen Felipe Massa in de kwalificatie voor de Hongaarse gp een veer tegen zijn helm kreeg. De Braziliaan geraakte levensgevaarlijk gewond door een schedelbreuk rond zijn linkeroog. Nadat bekend geraakte dat Michael Schumacher niet fit genoeg was om te rijden, werd Luca Badoer ingeschakeld naast Kimi Raikkonen. Badoer kwam ver achteraan terecht in de twee races die hij reed. Na de grote prijs van Spa, die Raikonnen won besloot Giancarlo Fisichella zijn droom waar te maken. De Italiaan kon echter geen punten behalen voor Ferrari.

2010: Alonso net niet
In 2010 koos Kimi Raikonnen voor een carrière in het wereldkampioenschap rally. Zijn plaats werd ingenomen door Fernando Alonso. Naast hem reed de terug herstelde Felipe Massa. Al tijdens de eerst grote prijs bewees de nieuwe aankoop zijn waarde, na pech van de tegenstand weliswaar. Massa finishte in de meeste races ver achter zijn teamgenoot, met als gevolg dat hij zijn eerste plaats aan de Spanjaard moest afstaan in de grote prijs van Duitsland. De weinig subtiele boodschap “Fernando is sneller dan jou. Kun je bevestigen dat je de boodschap begrijpt?” werd als teamorder aanzien en Ferrari kreeg een geringe boete en bakken kritiek. Mede door dit manoeuvre kon Alonso tot de laatste race in de running blijven voor de titel. Ten slotte verloor Alonso de titel omdat hij door een slechte pitstopkeuze in het verkeer geraakte.

2011 : Ferrari komt er niet aan te pas
Ferrari wou in 2011 wraak nemen voor de verloren wereldtitel in 2010, die in extremisch naar Sebastian Vettel was gegaan. De Ferrari 150° Italia, die meer bekendheid wist te verwerven dankzij de rel die zijn naam met Ford veroorzaakte dan zijn prestaties, stelde echter zwaar teleur. De fiere Italiaanse renstal kon slechts 1 overwinning behalen, Fernando Alonso stond in Silverstone op het allerhoogste schavotje. De zwakke prestaties van de Italiaanse bolide kostte uiteindelijk de kop van Aldo Costa, die niet veel later opnieuw onderdak vond bij Mercedes GP. Zijn plaats in Maranello werd uiteindelijk ingenomen door Pat Fry. Ook zette Ferrari steeds meer druk op de Braziliaan Felipe Massa, die ten opzichte van zijn Spaanse teamgenoot maar al te vaak het onderspit moest delven. Ondertussen werd er ook beslist dat men het vanaf nu over een andere boeg ging gooien, Ferrari werd maar al te vaak verweten te conservatief te zijn bij het onderwerp van zijn wagens en ging vanaf nu meer risico’s nemen om de concurrentie bij te benen.

2012: Opnieuw net niet
Ferrari leek, net als het jaar ervoor, bij de seizoensstart nogal veel op een eenmansploeg. Al bij de eerste gp’s gonsde het van de geruchten dat Felipe Massa de volgende race niet zou rijden. Hoe meer races de Braziliaan reed, hoe minder het gerucht waar leek.

Intussen was Alonso geen uitblinker. Hij zegevierde op het natte circuit van Sepang, maar dat was ook zijn enige podiumplek in de eerste vier races. Ferrari, lees Alonso, bleek al snel geen veelwinnaar, maar had consistentie als grootste troef. Slechts twee keer moest de Spanjaard opgeven, telkens door een crash bij de start.

De Ferrari’s hadden wel een probleem. Tijdens de kwalificaties kwamen de rode bolides keer op keer te kort. In de race konden ze hun slechte startplek meestal wel nog wegwerken. In het tweede deel van het seizoen lukte het Massa zelfs om zich in de kijker te rijden en een contractverlenging te verkrijgen.

Alonso reed in dertien races tot op het podium, maar moest Sebastian Vettel uiteindelijk toch laten voorgaan in het kampioenschap, na een beslissende laatste race. Ook Ferrari haalde het niet in het kampioenschap van Red Bull en het moest genoegen nemen met een tweede plaats.

2013: Moeizame ontwikkeling van de wagen verstoort titelambities
Fernando Alonso kon zich, met twee zeges uit de eerste vijf races opnieuw voorin mengen. Lang kon Ferrari zich echter niet mengen in de titelstrijd. De ontwikkeling van de wagen ging een stuk trager dan bij de concurrentie, waardoor de Scuderia al vroeg aan de slag ging met de wagen voor 2014.

2013 markeerde ook het laatste seizoen van Felipe Massa in Maranello. Na jaren van speculatie werd aan het eind van het seizoen de komst van Kimi Raikkonen bevestigd. De Fin werd met Ferrari al wereldkampioen in 2007.

2014: nog steeds op zoek
Het seizoen 2014 stond helemaal in het teken van de nieuwe V6-turbomotoren. Die van Ferrari was zeker niet slecht maar was niet opgewassen tegen die van Mercedes. Daarbij was ook de wagen niet top en vond de Italiaanse renstal geen oplossing voor het onderstuur waarmee de wagen het hele seizoen kampte. Resultaten bleven dus uit. Fernando Alonso kon twee keer het podium halen. Samen met Kimi Raikkonen sprokkelde de Spanjaard heel wat punten voor de Scuderia wat resulteerde in een vierde plaats in het constructeurskampioenschap.

Het geduld van tweevoudig wereldkampioen Alonso was echter op en hij verliet het team en Sebastian Vettel werd aangetrokken. En ook op het vlak van het bestuur rommelde het bij Ferrari. Luca di Montezemolo stapte op als algemeen directeur, heel wat belangrijke ingenieurs werden ontslagen en ook teambazen volgden elkaar in snel tempo op. Ferrari was hopeloos op zoek naar resultaten en dat deed de nodige koppen rollen.

2015: het jaar van de wederopstanding
Voorafgaand aan het seizoen 2015 waren er heel wat vernieuwingen bij het Italiaanse team. Een nieuwe president (Sergio Marchionne) en een nieuwe teambaas (Maurizio Arrivabene) moesten Ferrari terug aan de top brengen. Maar daar eindigde het nog niet. Ook Fernando Alonso moest plaatsmaken voor Sebastian Vettel. De viervoudige wereldkampioen hoopt bij de Italianen opnieuw titels te winnen, na een tegenvallend seizoen 2014 bij Red Bull Racing. Het volledig vernieuwde team van Ferrari slaagde erin om de enige concurrent te worden van Mercedes. Door de komst van Vettel wist de Scuderia opnieuw te winnen in 2015. Hoewel ze bij Ferrari vooraf spraken over een overgangsjaar, wisten de Italianen drie keer te winnen met Vettel, terwijl Räikkönen het moeilijk had om de resultaten van zijn nieuwe teamgenoot te evenaren.

2016: Strijd voor de tweede plaats
Ferrari hoopte in 2016 verder te bouwen op de bemoedigende resultaten van 2015. Het team koos opnieuw voor Sebastian Vettel en Kimi Raikkonen als rijdersduo met als doel enkele Grote Prijzen te winnen en de ongenaakbaar geachte Mercedessen het vuur aan de schenen de leggen. De Italianen slaagden er echter nooit in om het Mercedes moeilijk te maken. Het team vocht vooral met Red Bull een hevige strijd uit voor de titel van ‘best of the rest’. Daarin moest Ferrari uiteindelijk de duimen leggen. Het won dat seizoen geen enkele race. Meer nog, met drie derde plaatsen was de oogst voor het team uit Maranello bijzonder mager.

Force India

Team: Force India
Wagen: Force India VJM10
Motor: Mercedes
Banden: Pirelli

Rijder 1: Sergio Perez
Rijder 2: Esteban Ocon
Testrijders: - f1 wagen Force India

Geschiedenis

Opgericht:
Het Force India team debuteerde in 2008 in de Formule 1. De fundamenten van het team liggen echter bij Eddie Jordan. Die richtte het gelijknamige team op in 1980. Het team verscheen pas in 1991 in de F1. Sinds Jordan het team verkocht aan Midland in 2005 veranderde het enkele keren van eigenaar en naam. Sinds 2008 is de steenrijke Indiër Vijay Mallya de baas. Hij gaf het team de naam Force India.
Basis:
Silverstone, Engeland


1991: Mooi debuut voor Jordan
In 1991 waagt Eddie Jordan de stap naar de Formule 1. De Noord-Ier heeft Jordan in 1980 opgericht. In 1983 hangt hij de helm aan de wilgen en concentreert zich op zijn team, dat uitkomt in de Formule 3 en Formule 3000. Na de titel met Jean Alesi in de Formule 3000 volgt in 1990 de oprichting van Jordan Grand Prix, dat in 1991 debuteert. De groene Jordan-Ford 191 van ontwerper Gary Anderson is een schoonheid. Andrea de Cesaris weet weer te schitteren en het team scoort dertien punten. Het team is vijfde in de eindstand voor constructeurs. In België stevent De Cesaris op de overwinning af, totdat zijn motor hem in de steek laat. Die race zit niet Bertrand Gachot in de tweede auto, maar ene Michael Schumacher. Eddie Jordan denkt de talentvolle Duitser stevig onder contract te hebben, maar is hem al na een race kwijt aan Benetton. Met Gachot nog steeds in de gevangenis wegens het molesteren van een taxi-chauffeur, valt Roberto Moreno voor twee races in. Daarna debuteert Alex Zanardi bij Jordan in de Formule 1.

1992-1993: Magere jaren
Het eerste seizoen is te goed geweest, de verwachtingen voor ‘92 te hoog gespannen. Eddie Jordan vervangt de Ford-motor door de Yamaha. Hij gooit het seizoen door de chronische onbetrouwbaarheid van de V10 weg, maar ook de auto is niet de sprong voorwaarts. Zelfs de miljoenen van zijn nieuwe sponsors Sasol en Barclay helpen daar niets aan. De nieuwe rijders Stefano Modena en Mauricio Gugelmin komen ook niet uit de verf. De Italiaan weet zich zelfs vier keer niet te kwalificeren. In Australië behaalt hij het enige puntje van het seizoen. Gugelmin komt ook zelden aan de finish. Een zevende plaats is zijn beste resultaat.

Eind ‘92 heeft Jordan genoeg van Modena, Gugelmin en Yamaha. Een nieuw seizoen, een nieuwe motor. Dit keer bouwt Gary Anderson een auto rond de Hart V10. Hoewel de betrouwbaarheid beter is dan van de Yamaha, ontbreekt het Hart aan geld om zijn motor door te ontwikkelen. De rots in de branding is dit seizoen de Braziliaanse nieuweling Rubens Barrichello. Hij doet zichzelf en het team geen kwaad door in de regenrace op Donington enige tijd als tweede rond te rijden. Zijn optreden toont aan dat hij meer waard is dan de twee puntjes aan het einde van het seizoen. De tweede auto lijkt te zijn uitgeleend aan een verhuurbedrijf: Ivan Capelli, Thierry Boutsen, Marco Apicella en Emanuele Naspetti reden voor Jordan in het zelfde seizoen. Met Eddie Irvine, ook nieuw, rijdt de tweede Jordan in Japan meteen in de punten.

1994-1997: Constante prestaties
Eddie Jordan ziet het duo Barrichello-Irvine wel zitten. Zij besturen in ‘94 de Jordan-Harts, komen regelmatig aan de finish en geven het team de vijfde plaats in het constructeurs-WK. Maar er is ook ergernis. Halverwege het seizoen zijn Barrichello en Irvine elkaars rivalen. Nadat ze elkaar in Hongarije al in de tweede bocht uitschakelen, verkeert het team in oorlogsstemming. Jordan moet de ruzie sussen. Barrichello begint het seizoen sterk met een vierde plaats. Hij wordt derde in de Pacific Grand Prix, de eerste podiumfinish van Jordan. Een race later gaat hij er keihard af op Imola, het tragische weekend. Barrichello is er vanaf Monaco weer bij en wordt nog vier keer vierde. Hij behaalt op een halfnatte baan in België Jordans eerste pole-position. Irvine valt tegen. Nadat hij de schuld van de Verstappen-crash in Brazilië heeft gekregen, moet hij drie races aan de kant blijven. De Cesaris valt in. Na zijn terugkeer is een vierde plaats Eddie’s beste resultaat.
De ruzies worden bijgelegd en tot ieders verrassing van velen zijn Barrichello en Irvine ook in 1995 weer teamgenoten. Zij beschikken dit seizoen over Peugeot-motoren. Eddie Jordan heeft met de Fransen een driejarig contract afgesloten. De prestaties zijn redelijk, maar toch is er de onbetrouwbaarheid. Hoogtepunt is de GP van Canada, waar de Jordans als tweede en derde over de finish komen. In het kampioenschap eindigen Barrichello en Irvine respectievelijk als elfde en twaalfde.

Jordan groeit door. Het team probeert de aansluiting met de top te vinden en hoopt dat de miljoenen van Benson & Hedges daarbij zullen helpen. Barrichello en zijn nieuwe teammaat Martin Brundle beschikken met de Peugeot over de krachtigste motor in het veld. Zolang het rechtuit gaat zijn de Jordans onverslaanbaar, maar in de bochten willen ze niet zo erg. Opnieuw blijft Jordan hangen op de vijfde plaats in het constructeurskampioenschap. Barrichello blinkt uit in Brazilië, tot hij uitvalt. Martin Brundle overleeft een reuzenklap in de startronde in Australië. Hij is in de trainingen vaak te langzaam en kan zelfs met zijn ervaring dit nadeel in de wedstrijden niet meer goed maken.
Eddie Jordan zit met een dilemma: kiezen voor de ervaring van Nigel Mansell of het seizoen met twee superfanatieke ‘groentjes’ beginnen.

Na een test haakt Mansell af. Ook wereldkampioen Damon Hill heeft hij niet kunnen strikken. De stalbaas kiest voor Ralf Schumacher en Giancarlo Fisichella. Beiden zijn bloedsnel en halen het maximale uit de zeer fraaie Jordan-Peugeot, die dit jaar ook met bochten goed overweg kan. De Duitser en Italiaan gunnen elkaar het licht in de ogen niet, zeker niet als Schumacher zijn teammaat in Argentinië van de baan ramt. Hij erft er de derde plaats door. Fisichella moet nog tot Canada wachten voordat hij de smaak van champagne mag proeven. Jordan probeert met deze resultaten Peugeot te overtuigen om ook in 1998 te blijven, maar de Franse fabrikant wil zich exclusief binden aan Alain Prost. Jordan tekent een tweejarige contract met Mugen-Honda, krijgt nog drie seizoen de steun van Benson & Hedges en bouwt zijn team steeds verder op. Het team wordt deze 4 jaar driemaal 5de en éénmaal 6de in het WK voor constructeurs.

1998-1999: Eerste zege voor het team!
In 1998 lukt het Eddie Jordan dan toch om Hill in zijn team te krijgen. Net als Ralf Schumacher scoort hij de eerste helft van het seizoen geen punten. Het eerste puntje van Ralf in Engeland wordt gevierd alsof de wereldtitel is binnengehaald. Het blijkt dan ook de ommekeer, want op de GP van Luxemburg na pakt het Jordan-team in alle races in de tweede seizoenshelft punten. In de regen op Spa is zelfs de eerste overwinning van Jordan in acht jaar Formule 1 een feit. Met Hill als eerste en Schumacher als tweede wordt het meteen een dubbelzege. Het team eindigt het seizoen op de vierde plaats in het constructeurskampioenschap.

De stal van Eddie Jordan vertoont het jaar daarna twee gezichten. Nieuwkomer Heinz-Harald Frentzen rijdt een formidabel seizoen. Hij verrast iedereen, zelfs zichzelf. Met twee zeges van de Duitser en een derde plaats in zowel het coureurs- als het constructeursklassement is 1999 voor Jordan zonder meer een geslaagd jaar. Het had echter nog veel beter gekund, ware het niet dat Damon Hill louter rondrijdt voor een goed pensioen. De Engelsman presteert in zijn laatste seizoen helemaal niets.

2000: Rampjaar
Na het succesvolle 1999 brengt het jaar 2000 alleen maar teleurstellingen. De auto is niet snel genoeg en bovendien onbetrouwbaar. Frentzen kan zijn prestaties van het jaar ervoor niet evenaren. Zijn beste resultaat is een derde plaats in Brazilië en de Verenigde Staten. Uiteindelijk scoort de Duitser niet meer dan elf punten. Jordans tweede rijder Jarno Trulli kan de verwachtingen niet inlossen, deels door fouten van hemzelf maar vooral doordat het team in gebreke blijft. Met slechts zes punten is de Italiaan slechts figurant. Een zesde plaats in het constructeurskampioenschap betekent dat Jordan terug bij af is.

2001: Nauwelijks vooruitgang
Jordan rijdt dit seizoen rond met Japanse Honda-motoren. Honda levert ook motoren voor BAR, wat voor een strijd tussen deze twee zorgt. Veel goeds valt er niet mee te beleven. Trulli is dan wel snel in oefensessies en rijdt zich vooraan in de kwalificaties maar veel punten kan het team niet sprokkelen. Als Frentzen op het eind van de tunnel in Monaco crasht is hij buiten strijd en neemt testrijder Ricardo Zonta zijn plaatsje in. Veel veranderd daar niet aan. Frentzen keert trug, maar wordt in juli ontslagen door Eddie Jordanm wegens ‘een meningsverschil’. Jean Alesi neemt zijn plaats in en Frentzen trekt naar Prost. Het team behaalt punten en wordt in het WK voor constructeurs. Voor volgend seizoen liggen de rijders al snel vast: Fisichella werd al over halfweg beslist en de Japanner Takuma Sato werd voorgesteld als 2e rijder voor de GP van Japan, de laatste van het seizoen. Jim Vale, de teammanager, houdt het na tien jaar dienst bij het Ierse team voor bekeken. Vale keert terug naar zijn geboorteland Australie en zal er genieten van zijn vrije tijd.

2002-2005: Financiële problemen betekenen het einde voor Jordan
Het seizoen 2002 word reeds goed onthaald bij Jordan op de persconferentie, men kan zich een nieuwe hoofdsponsor voor 2002 bekendmaken, Deutshe Post zal met DHL de nieuwe hoofdsponsor zijn van het Jordan team. Voor het Formule 1 team zelf loopt niet alles naar wens in 2002, men krijgt met geldproblemen af te rekenen. Eddie Jordan moet verschillende mensen op straat zetten en heeft hier veel spijt van. De eerste races van het team zijn zeer kostelijk geweest, nieuwkomer Takuma Sato rijd meerdere malen een Jordan chassis naar het hiernamaals door fouten die hij kon vermijden. Men kan in de eerste races van het seizoen geen enkel punt halen. Na het ontslag van bepaalde mensen in het team begint alles vlotter te lopen. In de laatste race in Suzuka haalt Sato voor het Jordan team 2 punten binnen en is hiermee de held van Japan. Deutshe Post kondigt ook aan dat zij op het einde van het seizoen zullen stoppen met sponsoring en hierdoor verliezen er nogmaals 50 mensen hun job bij het team voor 2003.

In 2003 verloor Jordan Vodafone als mogelijke sponsor aan Ferrari. Het mislopen van de deal en de bijbehorende rechtzaak kosten het team weer veel geld. 2004 werd het laatste seizoen met Eddie Jordan als teambaas. Nadat hij geen uitweg meer zag, besloot hij het team te verkopen aan de Midland Groep van Alex Shnaider. In 2005 blijft de Jordan naam behouden waarna het team wordt omgedoopt in Midland F1 Racing

2006: Het korte leven van Midland F1
Het Midland F1 project was maar een kort leven gegund. Het team presteerde redelijk goed maar Alex Shnaider wilde het team al weer van de hand doen.  Tegen het einde van 2006 raakte bekend dat de Nederlandse constructeur Spyker het team zou overkopen.

2007: Het korte leven van Spyker F1
Dat Spyker een Nederlandse autobouwer is, bleef niet onopgemerkt in de Formule 1. De nieuwe eigenaren veranderden de livery van het team in knal oranje.  In augustus was het sprookje voor de Nederlanders al weer voorbij en het team werd overgekocht door de huidige eigenaar, Vijay Mallya

2008: The Force is strong with this one
Mallya, een excentrieke en steenrijke Indiër wilde met z’n Formule 1 team meteen promotie maken voor zijn thuisland. De naam werd veranderd in Force India en naast Adrian Sutil werd Giancarlo Fisichella aangesteld als piloot. Goede prestaties bleven echter uit voor het team in 2008.

2009-???: gestage vooruitgang
In 2009 ging Force India in zee met Mclaren-Mercedes. Naast de Mercedes krachbron kon het team ook beschikken over de technische know-how van Mclaren. Toch was dat niet meteen merkbaar in de resultaten. Het hoogtepunt was Giancarlo Fisichella die de pole veroverde in Spa. In de race moest de Italiaan enkel Kimi Raikonnen laten voorgaan. Daarna vertrok hij naar Ferrari en moest Vitantonio Liuzzi zijn plaats innemen.

2010 was beste seizoen ooit voor Force India. Door het nieuwe puntensysteem (de eerste 10 kregen vanaf dan punten) pakte het Indische team regelmatig punten en kon het zo de zevende plaats bij de constructeurs in de wacht slepen.

2011:
Ondanks twee snelle en consistente piloten slaage Force India er niet in om een stap voorwaarts te zetten. Force India behaalde in 2011 drie keer een zesde plaats. De reeds ervaren Adrian Sutil en rookie Paul Di Resta, die bij in zijn debuutjaar in de koninginneklasse van de autosport een goede indruk achterliet, behaalden in het klassement respectievelijk de negende en dertiende plaats. Force India behaalde bij de constructeurs de zesde positie.

2012:
Force India was nog altijd geen topper. Het team slaagde er meestal wel in om punten te pakken, maar naast de grote prijs van Brazilië, waar Hulkenberg even op weg leek naar een zege, reden ze zich bijna nergens in beeld.

Toch moet gezegd worden dat regelmatigheid Paul di Resta en Nico Hulkenberg relatief bovenaan de tabellen hield. Ze behaalden bij meer gp’s punten dan Sauber, die voor hen eindigden, maar grotere uitschieters had. Langs de andere kant was Williams dat jaar beter, maar finishten die slechts zelden. Slechts één keer leidde het falen van de wagen tot een opgave. Force India eindigde als zevende bij de constructeurs.

2013: Een seizoen zonder veel glans
Het werd een anoniem seizoen voor Force India. Adrian Sutil toonde zich tijdens de eerste race door een tijd lang aan de leiding te rijden, maar verder dan dat kwam het tijdens de rest van het seizoen niet meer. Het beste resultaat van het seizoen kwam van Paul Di Resta met zijn vierde plaats in Bahrein.

2014: gevestigde waarde in de middenmoot
Force India haalde voor 2014 Nico Hulkenberg terug en kon ook Sergio Perez strikken. Met de nieuwe Mercedes-krachtbron kon het Indische team zeker niet klagen en had het een voorsprong op de teams die het met een andere motor moesten doen. Er was slechts één uitschieter in het seizoen, een podiumplaats voor Serio Perez in Bahrein, de tweede ooit voor Force India. Voor de rest reed het team een goed seizoen waarin het zelden buiten de punten viel. Op regelmaat reed het team zich naar de zesde plaats in het constructeurskampioenschap.

2015:
Force India leek de start van het seizoen te missen door een late introductie van de nieuwe wagen. Hülkenberg en Pérez ondervonden geen problemen en het team werd vijfde in het kampioenschap, wat van hen het beste team maakt onder de ‘kleinere’ teams. Het is hun beste resultaat sinds 2008. De goede resultaten van Force India kwamen er nadat er midden in het seizoen een ‘B-spec’ kwam op de bolides. Sindsdien kon Force India de snelheid aan van Ferrari en Williams. Sergio Pérez reed enigszins onverwacht naar het podium in Rusland.

2016: de rustige standvastigheid
Force India heeft al enkele jaren de faam haar geld efficiënt te besteden. Met relatief weinig middelen weten de Indiërs steeds een competitieve wagen aan de start te brengen. Dat gebeurde ook in 2016, toen Sergio Perez en Nico Hülkenberg een constant seizoen reden. Voor het derde jaar op rij dreef een Mercedes-motor de wagen aan en dat legde het team geen windeieren. Force India eindigde met Sergio Perez twee maal op het podium (Monaco en Europa) en sloot het seizoen af op een mooie vierde plaats in het constructeursklassement. Daarmee hield het Williams en McLaren, toch teams met een veel hoger budget, af.

Haas F1 team

Team: Haas
Wagen: Haas VF-17
Motor: Ferrari
Banden: Pirelli

Rijder 1: Romain Grosjean
Rijder 2: Kevin Magnussen
Testrijders: - f1 wagen Haas F1 team

Geschiedenis

Het gloednieuwe Haas F1 team maakt haar debuut in het jaar 2016. Het is drie decennia geleden dat er nog eens een volledig Amerikaans team deelnam aan het Formule 1 kampioenschap. Gene Haas is het hoofd van het team en het heeft zijn thuisbasis in Kannapolis (Verendigde Staten van Amerika), waar ook de basis is van het NASCAR team Stewart-Haas Racing. Verder zal Haas ook een Europese basis hebben in het Verenigd Koninkrijk in de voormalige Marussia fabriek in Banbury.

De motor voor de eerste wagens zal komen van Ferrari. Haas wist een meerjarige technische overeenkomst te regelen met de Italianen. Daardoor zullen ook de transmissie en enkele andere onderdelen geleverd worden door de Scuderia.

Guenther Steiner, ex Red Bull en Jaguar F1, wordt teambaas van het nieuwe team. Verder komen Dave O’Neill (team manager) en Rob Taylor (hoofd design) over van Marussia. Ben Agathangelou van Ferrari zal dan weer het aerodynamisch gedeelte voor zich nemen.

Haas maakte ook bewust de keuze om twee rijders met ervaring te kiezen. Met Romain Grosjean en Esteban Gutierrez is er ervaring genoeg. Grosjean eindigde al tien keer op het podium met Lotus en wordt bijgestaan door de Mexicaan Gutierrez die via de steun van Ferrari het tweede zitje krijgt.

2016: snelle start, moeilijk einde
Haas miste haar debuut in de F1 van de autosport helemaal niet. Het Amerikaanse team eindigde met Romain Grosjean maar liefst drie keer in de punten in de eerste vier races. Nadien verging het de Amerikanen wat moeilijker. Het team reed met de Ferrari-motor van het voorgaande seizoen en miste naarmate het seizoen vorderde de snelheid van de motoren die wel doorontwikkeld werden. In de tweede seizoenshelft eindigde Grosjean dan ook maar een keer in de punten (Japan). Ploegmaat Guttiérez beleefde een moeilijker seizoen. De Mexicaan scoorde geen enkel punt, al ontbrak het hem met vijf elfde plaatsen soms aan wat geluk. Haas eindigde dat seizoen op de achtste plaats in het constructeursklassement, wat het team het beste debuterende team van de afgelopen jaren maakt.

McLaren

Team: McLaren
Wagen: McLaren MCL32
Motor: Honda
Banden: Pirelli

Rijder 1: Fernando Alonso
Rijder 2: Stoffel Vandoorne
Testrijders: - f1 wagen McLaren

Geschiedenis

Opgericht:
McLaren werd door de Nieuw-Zeelander Bruce McLaren eind 1963 opgericht. Bruce werd geboren op 30 augustus 1933 en overleed op vroege leeftijd op 2 juni 1970.
Basis:
Woking, Engeland

1966-1970: De eerste jaren van een nieuw team
De Nieuw-Zeelander Bruce McLaren, sinds 1958 Formule 1-coureur, is na enkele seizoenen met Cooper ontevreden over de auto en richt eind 1963 samen met Teddy en Timmy Mayer en Phil Kerr ‘Bruce McLaren Motor Racing Limited’ op. In 1966 is McLaren klaar voor de Formule 1 en komen Bruce en Chris Amon vanaf Monaco aan de start. In 1968 wint Bruce in België de eerste Grand Prix met zijn eigen wagen. Teamgenoot Denis Hulme pakt dat jaar nog twee zeges en wint er in 1969 een. Meer succes heeft McLaren in de Amerikaanse CanAm, waar de oranje-gele auto’s tussen 1968 en ‘71 oppermachtig zijn. Op 1 juni 1970 komt Bruce McLaren tijdens een routinetest met zo’n CanAm-wagen op het Britse Goodwood om het leven. Teddy Mayer en Tyler Alexander zetten het ‘Kiwi-team’ voort.

1971-1980: Moeilijke opbouw naar de top
McLaren komt het verlies van de oprichter moeilijk te boven en behaalt tot 1973 slechts één overwinning. De ommekeer komt in 1973 met de succesvolle M23 van ontwerper Gordon Coppuck. Hulme scoort één overwinning, terwijl de Amerikaan Peter Revson twee keer wint en nieuweling Jody Scheckter een keer misgrijpt. In 1974 begint de relatie met hoofdsponsor Marlboro. Emerson Fittipaldi en McLaren worden wereldkampioen bij de rijders en constructeurs, Hulme wint één race. In 1975 moeten Fittipaldi en McLaren Lauda en Ferrari voor laten gaan. Nieuwe tweede man Jochen Mass wint in Spanje zijn enige Grand Prix. De overstap van Fittipaldi naar zijn eigen team geeft James Hunt de kans van zijn leven. Met enkele ijzersterke overwinningen snoept hij in de zomermaanden Lauda’s riante puntenvoorsprong af. De Oostenrijker kan zich door zijn ongeluk in Duitsland weken niet verweren. Als Lauda in de regenrace in Japan opgeeft en Hunt ondanks een late pitsstop derde wordt, wint de Brit de titel met een punt voorsprong. In 1977 zijn McLaren en Hunt nog van de partij met drie zeges, maar daarna glijdt het team af naar de middenmoot. Mayer zet af en toe ook een derde wagen in, in 1977 voor Gilles Villeneuve en in ‘78 voor Bruno Giacomelli. Ook een privéteam rijdt in 1978 met McLarens met Bret Lunger en ene Nelson Piquet. Hunt stapt eind ‘78 op, zijn opvolger Peterson verongelukt nog voor hij in een McLaren heeft gereden. John Watson en Patrick Tambay proberen de eer in 1979 tevergeefs hoog te houden. De McLarens worden onbetrouwbaar en gevaarlijk fragiel, wat Alain Prost in 1980 diverse keren te merken krijgt. Slechts een wonder kan het team uit de put halen.

1981-1990: Ron Dennis belangrijke factor in successen
Het wonder heet Ron Dennis. Hij koopt zich met zijn Project Four in bij Teddy Mayer. Voortaan heet het team McLaren International. John Barnard ontwerpt de eerste Formule 1-wagen met een chassis van koolstofvezel. In Engeland scoort John Watson zijn eerste zege sinds 1976 en McLaren’s eerste sinds Japan ‘77. Het potentieel lokt Niki Lauda uit zijn pensioen en in 1982 toont de Oostenrijker dat hij nog steeds kan winnen. Watson behaalt in ‘82 en ‘83 drie overwinningen. Ron Dennis krijgt bij zijn zakenpartner Mansour Ojjeh massa’s geld los en laat daarmee bij Porsche een motor op maat bouwen. De TAG-Porsche 6-cilinder is in Barnards sublieme creaties tussen 1984 en ‘86 ongenaakbaar en de wagens scoren 22 overwinningen. Lauda gooit al zijn ervaring in de strijd en verslaat zijn teammaat Alain Prost met een half puntje. De Fransman krijgt zijn kans in 1985 en ‘86 en wordt in beide jaren wereldkampioen. Lauda stopt eind ‘85 definitief en wordt vervangen door Keke Rosberg. In 1987 is de McLaren-Porsche met Prost en Stefan Johansson, mede door het vertrek van Barnard, ondergeschikt aan de Williams-Honda’s. Het succes van de Williams’ overtuigt Dennis ervan dat hij ook een Honda-motor moet hebben. In 1988 krijgt hij hem, samen met Ayrton Senna. Senna en Prost vegen in de MP4/4 van Steve Nichols de vloer aan met de rest van het veld en winnen samen 15 van de 16 races. Senna wint zijn eerste titel. De Braziliaan wil er in 1989 nog een. Zelfs Ron Dennis is niet meer in staat zijn rijders te beteugelen en de titelstrijd eindigt met de omstreden botsing van de twee McLarens op Suzuka, waarna de winst naar Prost gaat. Een jaar later treffen Senna en Prost elkaar in Japan weer naast de baan, maar dit keer levert de rampartij de Braziliaan de titel op.

1991-2000: Wisselvalligheid
Senna is in 1991 oppermachtig en legt de basis voor zijn derde wereldtitel met vier overwinningen op rij in de eerste races. Berger wint in Japan bij de gratie van Senna, waarmee die zijn dank uitspreekt voor de loyaliteit die de Oostenrijker het gehele jaar heeft getoond. Toch begint in 1991 Williams McLaren naar de kroon te steken. In 1992 behoort de suprematie van de McLaren-Honda’s al weer tot het verleden. Het vertrek van Honda, is na 44 overwinningen, aan het einde van het jaar een hard gelag. Senna stuurt de McLaren-Ford in 1993 nog vijf keer als eerste over de finish, maar Michael Andretti kan door een tekort aan testkilometers niets uitrichten en moet plaats maken voor testrijder Mika Hakkinen. McLaren kiest voor 1994 Peugeot-motoren. Dennis verliest het vertrouwen na de vele motordefecten van Hakkinen en Martin Brundle. Hij breekt het contract open en sluit een deal met Mercedes-Benz. Maar ook de Duitsers hebben hun leerjaar, waaraan zelfs Nigel Mansell niets kan veranderen. De samenwerking met Mansell duurt slechts twee races. De McLaren is dat jaar een flop, waarmee Hakkinen in Australië ook nog eens zwaar crasht. Eind ‘96 keert Marlboro het team de rug toe. Met een geheel nieuwe look staan de zilveren West-McLarens in Australië ‘97 op de grid. Coulthard geeft het team na 49 races weer een overwinning, maar het vervolg van het seizoen toont aan dat McLaren-Mercedes het niveau van de Williams’ nog niet heeft bereikt. En dus haalt Dennis de man achter het succes van Williams binnen: Adrian Newey begint in augustus als technisch directeur. Voor het derde jaar worden de McLarens bestuurd door Hakkinen en Coulthard. Vanaf de eerste race van 1998 is McLaren terug aan de top. Zowel de constructeurstitel als de rijderstitel belanden bij het team van Ron Dennis. Mika Hakkinen pakt met 2 overwinningen in de eerste twee wedstrijden meteen de leiding in het klassement en staat die niet meer af. Enige tegenstadn krijgt Mika van Michael Schumacher. In 1999 gaat het allemaal wat minder vanzelfsprekend.  De wagen is niet meer betrouwbaar en Mika Hakkinen geeft 2 zekere zeges uit handen door eigen falen. In de laatste race beslist hij op overtuigende wijze het kampioenschap. De constructeurstitel moeten de mannen van McLaren echter afstaan aan Ferrari, een fikse tegenvaller. In 2000 verliest McLaren zijn status van sterkste team aan Ferrari. Zeven overwinningen, waarvan vier voor Hakkinen en drie voor Coulthard, zijn natuurlijk mooi meegenomen, maar verslagen worden in zowel het coureurs- als het constructeurskampioenschap is een kleine ramp voor het team uit Woking.

2001: Zwak jaar
McLaren kan geen aanspraak maken op een wereldtitel. Mika Hakkinen en David Coulthard kunnen niet tippen aan de Ferrari van Michael Schumacher. Door de herinvoering van de tractie controle verliest McLaren hun race een aantal keer bij de start. Een jaar om snel te vergeten, waarboven ook nog Mika Hakkinen een sabatjaar neemt en zo het team zijn wereldkampioen ziet gaan.

2002: opnieuw zwak jaar maar enkele lichtpunten
Het jaar begint met een rijderwissel. Mika Hakkinen heeft besloten om een jaar met Formule 1 te stoppen en word vervangen door de jonge Fin Kimi Raïkkönen. Het seizoen voor McLaren is niet al te best in het begin, men kan Ferrari en Williams niet volgen. Op sommige momenten moeten ze zelfs nieuwkomer Renault laten voorbijgaan. In Monaco worden plots de rollen omgekeerd, niemand kan David Coulthard inhalen te Monaco en wint zo de GP. Ook in Frankrijk ligt een McLaren op kop en deze keer is het die van nieuwkomer Raïkkönen, maar deze rijdt helaas van de baan door een oliespoor van de Toyota van Allan McNish. Beide rijders doen wat er van hen verwacht word en mogen nog een jaar blijven bij het McLaren team.

2003-2006: Ups and downs
2003 werd een sterk jaar voor Mclaren ondanks betrouwbaarheidsproblemen voor de MP4-18. Het team besloot terug te vallen op de Mclaren MP4-17D en hiermee kon Kimi Raikkonen tot het einde van het seizoen strijden met Michael Schumacher om de wereldtitel. De Fin eindigde uiteindelijk tweede. De wagen voor het seizoen 2004 had zo mogelijk nog meer problemen dan haar voorganger. De MP4-19 werd een miskloon van Adrian Newey en zelfs een nieuwe versie van die wagen kon niet baten. 

In 2005 trekt Mclaren de Columbiaan Juan-Pablo Montoya aan. Hij kan er samen met Raikkonen voor zorgen dat het team constant goed presteert. Uiteindelijk wordt het toch weer een tweede plaats voor Raikkonen achter Renault rijder Fernando Alonso. Eind 2005 maakt Mclaren bekend dat die laatste vanaf 2007 voor het team zal uitkomen. 2006 werd opnieuw een minder seizoen voor Mclaren. De gechromeerde MP4-21 kwam te kort tegen de bolides van Renault en Ferrari. Al snel vestigt het team z’n hoop op 2007.

2007: Uitstekend seizoen in de schaduw van spygate en controverses
Het jaar 2007 begon veelbelovend voor Mclaren. Met wereldkampioen Fernando Alonso en nieuwkomer Lewis Hamilton achter het stuur maakte het team indruk aan het begin van het seizoen. Al snel staken er echter problemen de kop op. Fernando Alonso en Lewis Hamilton kwamen meer dan eens met elkaar in aanvaring en het werd duidelijk dat Alonso mogelijk al aan het einde van het seizoen zou vertrekken. De echt grote problemen kwamen er echter pas in juli 2007. Mclaren raakte door haar hoofddesigner Mike Coughlan betrokken in het grootste schandaal in de Formule 1 sinds jaren. Coughlan had via Ferrari medewerker Nigel Stepney vertrouwelijke informatie verkregen over de Italiaanse renstal. De FIA besloot Mclaren te schrappen uit het constructeurskampioenschap en legde het team een boete op van 100 miljoen dollar. Alonso en Hamilton mochten wel verder strijden voor de wereldtitel maar schoten beide met 1 punt te kort in één van de spannendste seizoensfinales ooit. Alonso keerde na afloop terug naar Renault.

2008: Eindelijk weer een wereldkampioen
Tien jaar na de laatste rijderstitel voor Mclaren was het in 2008 eindelijk nog eens raak.  Lewis Hamilton werd wereldkampioen in z’n tweede seizoen in de Formule 1. Toch hoeng die titel in de laatste Grote Prijs van het seizoen in Brazilië nog aan een zijden draadje. Hamilton moest vijfde eindigen nadat concurrent Felipe Massa als eerste over de streep was gekomen. Hamilton lag zesde maar na een inhaalmanoeuvre op Timo Glock in de laatste bocht kwam hij toch als vijfde over de finish en had Mclaren eindelijk weer een wereldkampioen.

2009: valse start
Na 27 jaar als teambaas stapte Ron Dennis over naar de auto-afdeling van McLaren. Martin Whitmarsh werd de nieuwe teambaas en kon al direct flink aan de bak. In de eerste race van het seizoen werd Lewis Hamilton gediskwalificeerd. De regerend wereldkampioen had namelijk gelogen over een safety car-situatie, waarin hij zogezegd ingehaald werd. En dat was niet het enige probleem. De nieuwe wagen was ver van goed en McLaren behaalde nauwelijks punten in de eerste seizoenshelft. In het tweede gedeelte van 2010 herpakte het Britse team zich en kon Lewis hamilton nog twee overwinningen boeken.

2010: topgevecht
Voor het seizoen van 2010 haalde McLaren de regerend wereldkampioen binnen. Daarmee hadden ze nu de twee meest recente wereldkampioenen, Jenson Button en Lewis Hamilton, in hun midden. Ook had McLaren vanaf het begin een zeer goede wagen. Het Britse team behaalde in elke race punten en in totaal 16 podiums en 5 overwinningen. Een slecht seizoenseinde verpestte het nog voor McLaren en koste hen de constructeurstitel.

2011: McLaren enige team dat Red Bull kan bijbenen
McLaren was in 2011 de grootste concurrent van het almachtige Red Bull. In de kwalificaties moest het steeds de duimen leggen tegen Red Bull maar in de races deden ze het steeds beter. Beide piloten scoorden elk drie zeges, waarvan de meest opvallende ongetwijfeld die van Jenson Button in Canada was. Ook in het oog springend was het feit dat Lewis Hamilton het slechter deed dan zijn teamgenoot, iets wat Lewis niet echt gewoon was. Lewis kreeg overigens bakken kritiek te slikken, niet enkel door zijn aanvaringen met Ferrari-piloot Felipe Massa maar ook danzij zijn “maybe it’s because I’m black”-uitspraak na de race in Monaco. Ook was McLaren het enige team dat een pole van Red Bull wist af te snoepen, Lewis Hamilton mocht in Korea vanop de eerste plaats vertrekken.

2012: Goed begin maar geen goed einde
McLaren schoot goed uit de startblokken bij het begin van het seizoen 2012. De wagen leek al direct goed te zijn ,maar het zou bij het team uit Woking ontbreken aan consistentie. Door zowel heel wat crashes als heel wat defecten haalden Button en Hamilton in een kwart van de races de meet niet.

Toch was McLaren sterk. In de races waar ze aankwamen, behaalden ze slechts twee maal geen punten. Met zeven overwinningen, behaalden ze er evenveel als wereldkampioen Red Bull. Dat er voor de rest maar zes andere podiumfinishes waren wil zeggen dat McLaren het niet al te best deed en zo niet verder geraakte dan een derde plaats bij de constructeurs en een vierde en vijfde plaats voor respectievelijk Hamilton en Button.

2013: Rampjaar
2013 was voor McLaren een rampzalig seizoen. De Britse formatie behaalde immers geen enkele podiumplaats. Sergio Perez werd binnengehaald om een team te vormen met Jenson Button, nadat Lewis Hamilton naar Mercedes trok. Perez koesterde torenhoge ambities, maar kon zich nooit voorin mengen, net als Jenson Button.

Naar het einde van het seizoen toe was er echter wel lichte verbetering zichtbaar bij McLaren, met regelmatige top vijf resultaten voor beide rijders. Tijdens het tussenseizoen werd Ron Dennis terug naar Woking gehaald. Dennis voerde meteen een grote herstructurering door, waarvan Martin Whitmarsh het grootste slachtoffer is gebleken.

2014: Geen beterschap
McLaren trok voor 2014 Kevin Magnussen aan en had al zeer snel prijs. Bij de eerste gp, die van Australië, eindigde de rookie samen met teamgenoot Jenson Button op het podium. Dat was ook de enige noemenswaardige prestatie van het team uit Woking. Voor de rest van het seizoen eindigden Button en Magnussen veelal in de punten wat een vijfde plaats bij de constructeurs opleverde voor McLaren. Voor 2015 kondigde McLaren aan terug te gaan samenwerken met Honda als motorlevernacier.

2015: De teleurstellende hereniging met Honda
De Formule 1 keek uit naar het nieuwe McLaren. De fans moesten opnieuw kunnen genieten van de combinatie McLaren-Honda. De Japanse motorleverancier kende echter meer moeite met het V6-tijdperk dan verwacht. Tijdens het begin van het seizoen was het vooral zaak voor McLaren om races uit te rijden, nadat er in de winter amper werd gereden. Met twee wereldkampioenen achter het stuur, Fernando Alonso en Jenson Button, was het met momenten pijnlijk om te zien dat McLaren steeds achteraan terug te vinden was. Het hoogtepunt voor McLaren kwam er in Hongarije, waar de krachtbron minder belangrijk is.

2016: successen blijven uit
De hereniging met Honda leverde McLaren niet veel punten op. De legendarische tandem uit de jaren ’80 eindigde in 2016 op een teleurstellende zesde plaats in het constructeursklassement. Voormalige wereldkampioenen Fernando Alonso en Jenson Button deden nooit mee voor een podiumplaats, laat staan een overwinning. Interne twisten staken dan ook op, hetgeen F1-monument Ron Dennis zijn kop kostte. Hij werd aan het einde van het seizoen vervangen door de Amerikaan Zak Brown. Na de zomerbreak begon McLaren toch punten te scoren, waardoor het enigszins met een goed gemoed de winter in trok.

Voor de Belgen was 2016 wel het jaar van het debuut van Stoffel Vandoorne bij de Britse renstal. Vandoorne werkte het hele jaar als testrijder voor McLaren en mocht in Bahrein zelfs meerijden. De Kortrijkzaan verving in die GP immers Fernando Alonso, die twee weken voordien in Australië zwaar crashte. Vandoorne miste zijn debuut niet en scoorde het eerste WK-punt van dat seizoen voor de renstal.

Mercedes

Team: Mercedes
Wagen: F1 W08 EQ Power+
Motor: Mercedes
Banden: Pirelli

Rijder 1: Lewis Hamilton
Rijder 2: Valtteri Bottas
Testrijders: - f1 wagen Mercedes

Geschiedenis

Opgericht:
Brawn GP verrees in 2009 uit de assen van het Honda F1 team. De oorsprong van het team gaat terug tot het team van Ken Tyrrel dat in 1999 werd overgenomen door British American Racing. Daaruit vloeide het Honda F1 team voort en sinds 2009 dus Brawn GP. Eind 2009 werd Brawn GP overgenomen en omgedoopt tot Mercedes GP.

Basis:
Brackley, Northans, Engeland

1968-1975: Gouden tijden met Jackie Stewart
In 1968 zet Ken Tyrrell zijn eerste stappen in de Formule 1. De door hem aangeschafte Ford Cosworth- motor brengt hij onder in een Matra-chassis, met als coureur Jackie Stewart. Al snel blijkt het een fantastische combinatie te zijn. In ‘69 wordt Stewart al wereldkampioen met zes overwinningen. Een jaar later stopt Tyrrell echter de samenwerking met Matra. De Engelsman richt zijn eigen renstal op en begint het seizoen 1970 met een March-chassis. In datzelfde jaar bouwt Tyrrell zijn eigen wagen. Op 20 september 1970 rijdt Stewart voor het eerst in de Tyrrell-Ford. Hoewel hij meteen van pole-position start, moet hij halverwege de race opgeven.

In ‘71 is naast Stewart de Fransman Franccedilois Cevert als tweede rijder aangetrokken. De eerste Grand Prix in Zuid-Afrika eindigt Stewart nog als tweede, maar een race later in Spanje behaalt de Schot op 18 april 1971 de eerste overwinning voor Tyrrell. Hierna wint hij nog vijf keer en wordt hij met overmacht wereldkampioen. Aangezien Cevert als derde eindigt in de eindstand wordt ook de constructeurstitel binnengehaald.

Hoewel Stewart in 1972 ook vier overwinningen behaalt, moet hij de wereldtitel toch afstaan aan de Braziliaan Emerson Fittipaldi. Een maagzweer zet hem even buitenspel. Een jaar later is Stewart weer met afstand de beste. Via zeges in Zuid-Afrika, België, Monaco, Nederland en Duitsland weet hij voor de tweede keer in een Tyrrell wereldkampioen te worden. Het seizoen eindigt echter dramatisch als Cevert in de training van de Grand Prix van Amerika dodelijk verongelukt. Stewart heeft dan al besloten te stoppen.

In 1974 moet Ken Tyrrell daarom met twee nieuwe coureurs verder. Het worden de Zuid-Afrikaan Jody Scheckter en het Franse talent Patrick Depailler, die al eerder enkele races voor het team reed. In het begin moet het tweetal nog wennen aan de wagen, maar in de Grand Prix van Zweden wint Scheckter voor Depailler. Ook in Engeland komt Scheckter als eerste over de finish. Hij eindigt als derde in de titelstrijd. Tyrrell wordt derde in de eindstand bij de constructeurs.

In ‘75 worden de resultaten minder. Hoewel Scheckter in zijn thuisland nog wel wint, behaalt hij niet zoveel punten meer. Ook Depailler scoort maar twaalf punten.

1976-1983: Niet altijd even rooskleurig
In 1976 komt Ken Tyrrell met een nieuw model, waarmee hij geschiedenis schrijft. De wagen heeft niet vier maar zes wielen! Opnieuw wint Scheckter in Zweden voor zijn teamgenoot. Het tweetal behaalt met de nieuwe wagen 71 punten. Scheckter eindigt als derde in de eindstand, Depailler als vierde. De Zuid-Afrikaan verlaat aan het einde van het seizoen het team en wordt vervangen door het Zweedse talent Ronnie Peterson. Het concept met de zeswieler werkt echter niet goed meer en er worden teleurstellend weinig punten behaald. Een tweede plaats van Depailler in Canada is het beste resultaat voor het team.

In ‘78 is Peterson al weer vertrokken en hij wordt vervangen door Didier Pironi. Ook wordt er dit seizoen gewoon weer gereden op vier wielen. Depailler begint het seizoen goed. In Monaco wint hij zelfs zijn eerste Grand Prix, maar uiteindelijk zakt hij toch weer een beetje weg. Aan het einde van het seizoen vertrekt hij naar Ligier. Jean-Pierre Jarier vervangt hem bij Tyrrell.  Echt succesvol kan het seizoen niet genoemd worden. Vier derde plaatsen is het hoogst haalbare.

Het kan echter nog erger want in 1980 worden slechts twaalf punten gescoord door Jarier en zijn nieuwe teammaat Derek Daly. De wagen blijkt niet meer met de toppers mee te kunnen komen.
Ken Tyrrell heeft ook niet zo’n vertrouwen in zijn coureurs en trekt daarom voor 1981 twee nieuwe coureurs aan. Eddie Cheever wordt eerste rijder en vanaf de Grand Prix van San Marino is de snelle Michele Alboreto de tweede man. Toch worden er maar tien punten behaald.

In ‘82 kan Cheever dus weer vertrekken. Alboreto wordt de kopman van het team. Hoewel het team financieel bijna aan de grond zit, worden er dit jaar toch wat successen geboekt. Tijdens de Grand Prix van Engeland rijdt Brian Henton in de tweede Tyrrell verrassend de snelste ronde en bij de laatste Grand Prix in Las Vegas is de sensatie compleet als Alboreto de race wint. Eindelijk is er weer eens een overwinning voor het Tyrrell-team, waardoor er meteen interesse ontstaat van sponsors.

Benetton wordt de nieuwe sponsor voor 1983. Ook in dit jaar rijdt Alboreto naar een overwinning. Op 5 juni 1983 wordt de voorlopig laatste zege voor Tyrrell behaald in de straten van Detroit.

1984-1990: Het gaat alsmaar slechter
In 1984 is Alboreto vertrokken naar Ferrari en de twee rijders voor het nieuwe seizoen zijn Martin Brundle en Stefan Bellof. Zij moeten met hun conventionele Ford Cosworth-motoren het opnemen tegen het turbogeweld van de andere teams. De resultaten zijn nog niet eens zo slecht. Bellof rijdt een sensationele race in Monaco en wordt als derde afgevlagd. Brundle eindigt in Detroit als tweede. Helaas blijkt het allemaal vergeefse moeite te zijn geweest. Omdat er loodkogeltjes in de benzinetank van de Engelsman worden aangetroffen, worden alle resultaten van het team in 1984 geschrapt, Tyrrell wordt zelfs uitgesloten van verdere deelname aan het WK.

Halverwege het seizoen 1985 krijgt Tyrrell eindelijk ook turbo-motoren. Met de Renault-motor wordt Philippe Streiff in de laatste race in Australië derde. Tijdens dit seizoen komt Stefan Bellof te overlijden bij een sportscar-race in België. In 1986 behaalt het duo Brundle/Streiff elf punten, waardoor Tyrrell als zevende eindigt in de strijd om de constructeurstitel. Een jaar later rijdt het team weer met de Ford Cosworth-motor, omdat er in ‘88 niet meer met turbo- motoren gereden mag worden. In het overgangsjaar worden opnieuw elf punten gehaald.

Ken Tyrrell denkt in 1988 weer kansen te hebben, nu er geen turbo-motoren meer zijn. Hij heeft het echter goed mis. Eerste rijder Jonathan Palmer scoort vijf punten, tweede man Julian Bailey behaalt geen enkel punt.
Om weer zo’n slecht jaar te voorkomen haalt de teambaas Michele Alboreto terug. In Mexico eindigt de Italiaan meteen als derde. Talentenjager Tyrrell heeft dan al weer iemand anders op het oog. Het Franse talent Jean Alesi vervangt Alboreto halverwege het seizoen omdat de Italiaan problemen heeft met de hoofdsponsor. In zijn eerste race wordt Alesi onmiddellijk vierde. Daarna haalt hij nog meer punten waardoor het Tyrrell-team eindelijk weer eens in de top vijf eindigt bij de constructeurs. In Canada rijdt Palmer ook nog de snelste ronde.

De verwachtingen voor 1990 zijn groot. Naast Alesi wordt de Japanner Satoru Nakajima aangetrokken. Tijdens de eerste Grand Prix van het seizoen in Phoenix zijn er de nodige verrassingen. Alesi neemt de leiding en moet uiteindelijk alleen Ayrton Senna voorbij laten. Ook in Monaco wordt hij tweede achter de Braziliaan, daarna is de koek echter op. De nieuwe wagen baart opzien: ontwerper Harvey Postlethwaite introduceert de tegenwoordig vanzelfsprekende hoge neus.

1991-1998: De ondergang
Ook in 1991 begint het goed voor het Tyrrell-team, dat een jaar lang met Honda-power rondrijdt. De vervanger voor de vertrokken Alesi, Stefano Modena, eindigt bij de eerste race als vierde, Nakajima als vijfde. In Canada wordt Modena zelfs tweede en hij eindigt aan het einde van het seizoen als achtste in de eindstand.  In ‘92 wordt er het nodige veranderd in het team. Er komen twee nieuwe coureurs (Olivier Grouillard en Andrea de Cesaris), een nieuwe motor en een nieuwe ontwerper. Echt veel vooruitgang boekt het team hier niet door. De Cesaris haalt acht punten.

In 1993 wordt daarom opnieuw van motor gewisseld. Yamaha wordt de nieuwe krachtbron achter in de Tyrrell. Ukyo Katayama vervangt Grouillard. Het ziet er aan het begin van het seizoen nog zo mooi uit, maar schijn bedriegt. Voor het eerst in de historie van het Tyrrell-team - de diskwalificatie in 1984 even niet meegerekend - wordt er geen enkel punt behaald. Een tiende plaats is het beste resultaat van dat jaar.

Met frisse moed begint Ken Tyrrell echter weer aan het volgende seizoen. De Cesaris is vervangen door Mark Blundell. In de eerste race van het jaar in Brazilië rijdt Katayama de Tyrrell naar een vijfde plaats. De eerste punten zijn binnen en slechter dan het jaar ervoor kan al niet meer! Met de race neemt het vertrouwen toe en in Spanje eindigt Blundell zelfs als derde. Eindelijk weer eens coureur van het Tyrrell-team op het podium. Uiteindelijk scoort het team dertien punten.

In 1995 gaat Blundell naar McLaren en wordt vervangen door de Fin Mika Salo. Hij behaalt de enige vijf punten van het verder teleurstellende jaar. Ook in ‘96 worden er slechts vijf punten gescoord door het ooit zo succesvolle team. Salo verdient opnieuw alle punten voor Tyrrell, waar Harvey Postlethwaite inmiddels is teruggekeerd. Katayama is voor het tweede achtereenvolgende seizoen puntloos. In ‘97 wordt hij dan ook vervangen door Jos Verstappen. Ondanks het feit dat het team dan dus beschikt over twee getalenteerde rijders rijdt de Tyrrell het hele seizoen in de achterhoede. Salo haalt met geluk twee puntjes in Monaco, meer zit er echt niet in.

Het team begon aan het seizoen van ‘98 wetende dat het aan het eind van het jaar opgedoekt zou worden om plaats te maken voor British American Racing oftewel BAR. Met Ricardo Rosset en Toranosuke Takagi om de auto’s te besturen, moest het laatste jaar een niet al te grote afgang worden. De auto zag er verassend goed uit en was ook nog snel (voor een Tyrrell). Takagi kwalificeerde goed, twee keer als dertiende, en eindigde twee keer op de negende plaats. Helaas haalde hij dus geen punten binnen, maar hij was veel beter dan zijn teamgenoot die zich vier keer niet kwalificeerde. Na 31 jaar is Tyrrell nu uit de Formule 1 verdwenen.

1998-2000: Overname door BAR is een feit
Tyrrell begint aan het seizoen 1998 in de wetenschap dat het team aan het eind van het jaar wordt opgedoekt. De nieuwe teambaas Craig Pollock heeft Tyrrell louter en alleen gekocht om zich van een plekje in de Formule 1 te verzekeren. Tyrrell zal in zijn geheel verdwijnen om plaats te maken voor British American Racing. Met het B-garnituur Ricardo Rosset en Toranosuke Takagi in de cockpits is het enige doel van het jaar een niet al te grote afgang. De auto is een goed ontwerp, maar helaas ontbreekt het aan de nodige pk’s. Takagi kwalificeert zich hier en daar goed, twee keer zelfs als dertiende, en eindigt tweemaal op de negende plaats. Helaas slaagt hij er niet in punten binnen te halen, want van Rosset hoeft het team al helemaal niets te verwachten. De Braziliaan kwalificeert zich vier keer niet en doet Tyrrell daarmee tekort. En zo verdwijnt Tyrrell na 31 jaar roemloos uit de Formule 1.

De plannen voor 1999 onder de nieuwe vlag van BAR zien er goed uit. Er is een enorm budget, een uitstekende fabriek, veel en goed personeel en een ex-wereldkampioen: Jacques Villeneuve. Het mag allemaal niet baten, want BAR maakt een rampdebuut in de Formule 1. De uitvalbeurten zijn niet te tellen en de punten hoeven niet geteld te worden. BAR blijft steken op nul. Hoewel overwinningen en zelfs podiumplaatsen opnieuw uitblijven, kan BAR met tevredenheid terugkijken op het seizoen 2000. Met de hulp van de nieuwe motorenleverancier Honda is er een forse stap gemaakt van de achterhoede naar de middenmoot en belangrijker nog: alle elementen zijn op hun plaats voor successen in de nabije toekomst. BAR eindigt op een fraaie vijfde plaats in het constructeurskampioenschap, met een gelijk aantal punten als nummer vier Benetton. En eigenlijk is er ook een beetje een overwinning: ondanks aanbiedingen van teams die zich ruimschoots bewezen hebben, blijft Jacques Villeneuve BAR trouw.

2001: Ontevredenheid
Vooral Jacques Villeneuve is dit seizoen ontevreden. Hij wil als vanouds weer winnen. Hij behaalt 2keer een derde plaats maar zeurt het hele seizoen.  Andere rijder Olivier Panis bahaalt ook zijn punten, maar verder dan 17 punten komt het team niet. Het verslaat wel Jordan, dat net zoals BAR Honda-motoren heeft. Echt verslaan is het niet want beide teams behalen een zelfde aantal punten maar door de 2 podiumplaatsen van Villeneuve is BAR 5de geworden. Eind oktober werd bekend gemaakt dat Geoffrey Willis het team voor 2002 komt versterken. Willis wordt technisch directeur en was eerder actief als aërodynamica specialist bij Williams.

2002-2005: Grote schoonmaak en het einde van BAR
BAR maakt in het begin van het jaar 2002 schoonmaak in het team. Teambaas en stichter van BAR Craig Pollock moet opstappen, zijn plaats wordt ingenomen door David Richards die vanaf dan het team met ijzeren hand zal leiden. De gehoopte resultaten worden in de eerste races meteen aan diggelen geslagen, men kan niet mee met de sub-top. Richards beslist dan om enkele mensen die niet nodig zijn in het team te elimineren en eventueel te vervangen door betere mensen. Naarmate het seizoen het einde nadert beginnen er bij BAR toch enkele zonnestralen te schijnen in de donkere fabrieken. Olivier Panis krijgt tijdens het seizoen te horen dat hij voor volgend jaar niet een nieuw contract zal krijgen. Jacques Villeneuve zal waarschijnlijk na 2002 ook een nieuwe baan moeten zoeken maar zover kwam het nog niet.

De rijders aan het begin van het seizoen 2003 zijn Jacques Villeneuve en Jenson Button. Villeneuve moet echter halfweg het seizoen plaats maken voor de Japanner Takuma Sato. Het werd een moeilijk seizoen voor BAR-Honda mede door de Bridgestone banden. In 2004 kende BAR-Honda een uitstekend seizoen. Jenson Button kon heel wat podiumplaatsen veroveren en het team werd zo tweede in het constructeurskampioenschap. De invloed van motorenleverancier Honda werd in 2004 stillaan groter. Aan het einde van het jaar had Honda 45% van de aandelen in handen. Teambaas Dave Richards moest plaatsmaken voor Nick Fry.

2005 werd een dieptepunt voor BAR. Er was een sterke start van het seizoen maar in San Marino werd het team gediskwalificeerd omdat de wagen niet voldeed aan het minimumgewicht. Na twee wedstrijden aan de zijlijn keerde het team terug op de grid en veroverde nog wat punten. Aan het einde van 2005 raakte bekend dat Honda het team volledig zou overkopen.

2006-2008 De Honda jaren
Vanaf het seizoen 2006 ging het team dus verder onder de naam Honda F1. In het eerste jaar behaalde Jenson Button meteen de eerste overwinning voor de Japanse constructeur in een regenrace op de Hungaroring. De toekomst zag er op dat moment goed uit. Honda behoorde tot de sterkste teams aan het einde van 2006. 2007 werd het jaar van de teleurstelling. Honda verscheen in Australië op de grid met de nu al beruchte “Earth Car”. Een wagen zonder sponsors maar met een tekening van de aarde als lay-out. Honda wilde zo de aandacht vestigen op de milieuproblematiek. De Honda RA107 kwam echter amper in beeld door de slechte prestaties.

Ook in 2008 verging het HondaF1 niet beter. Toch was er hoop voor het team nadat meester-strateeg Ross Brawn werd voorgesteld als nieuwe teambaas. Brawn kondigde meteen aan dat het team zich volledig zou gaan concentreren op 2009, aangezien de wagen voor het seizoen 2008 tot de slechtste op de grid behoorde. Aan het einde van 2008 kondigde Honda dan aan dat het zich zou terugtrekken uit de Formule 1. Een schok voor de fans maar ook voor het team zelf.

2009: Het sprookje van Brawn GP
Voor het seizoen van 2009 werd er gezocht naar een nieuwe eigenaar voor HondaF1, dat stopte wegens de crisis en de slechte resultaten. Drie weken voor de start van het seizoen besloot teambaas Ross Brawn het team te kopen. Bij de eerste tests verdachten de andere teams Brawn er van met een veel te lichte wagen te rijden. De wagen was namelijk meer dan een seconde sneller dan de rest, maar er was dan wel al lang aan gewerkt in 2008. Tijdens de eerste Grote Prijs van het seizoen bewees Brawn GP toch meteen zijn efficiëntie met een dubbelslag met Jenson Button op één en Rubens Barrichello op twee.

De Brit won zes van de eerste zeven grote prijzen, maar voor de rest niets meer. Sebastian Vettel kon hem nog bedreigen, maar met nog één race te gaan werd Button kampioen. Barrichello moest zijn tweede plek afgeven aan Vettel, maar won wel twee races. Brawn haalde ook de constructeurstitel binnen, voor de eerste en laatste keer in haar 1-jarig bestaan.

2010: Mercedes GP
Kort na het seizoen 2009 werd bekend dat Mercedes Brawn GP had gekocht. Al snel werd Nico Rosberg gepresenteerd als de eerste rijder. Na veel gespeculeer en fysieke tests kon het Duitse team ook Michael Schumacher aan het publiek voorstellen als rijder. Het team was echter niet zo succesvol als Brawn en de zevenvoudig wereldkampioen had ook niet meer de vorm van vroeger. Het seizoen eindigde voor Mercedes met drie podia en een vierde plaats bij de constructeurs.

2011: Nog steeds op weg naar de top?
Mercedes beleefde opnieuw geen topseizoen in 2011. Het kon zijn ambities om vanuit de subtop naar de top door te klimmen opnieuw niet waarmaken en eindigde in het klassement op ruime afstand van Red Bull, McLaren en Ferrari. Rosberg en Schumacher behaalden respectievelijk de zevende en achtste positie in het klassement. Hoogtepunten voor het team in 2011 waren de vierde positie voor Schumacher in Canada en de derde positie voor Rosberg in Turkije.

2012: Mercedes boekt geen vooruitgang
Na het mindere seizoen van Michael Schumacher in 2011, wou Mercedes er iets aan doen. De wagen werd meer gebouwd naar de zevenvoudig wereldkampioen, maar zo kon hij enkel dichter bij Nico Rosberg geraken. Slechts een paar keer kon Schumacher zich de beste bij Mercedes noemen. De Duitser kreeg bovendien met heel veel pech af te rekenen. Het team was goed aan het begin en kon door het dubbele DRS en een goede topsnelheid wel een paar uitslagen afleveren. Hoogtepunt was de overwinning van Rosberg. Naarmate het seizoen vorderde werd Mercedes bijgehaald en zakten ze weg in het kampioenschap. Met drie podiumplaatsen kwam Mercedes terecht op een vijfde plaats.

2013: Mercedes zet serieuze stap voorwaarts
Na drie matige seizoenen, waarin Mercedes slechts één zege kon behalen, werd Lewis Hamilton binnengehaald. De Brit drukte meteen zijn stempel op het team uit Brackley. De Brit behaalde in Hongarije zijn eerste zege voor Mercedes, nadat Nico Rosberg al op het hoogste schavotje mocht plaatsnemen in Monaco en Silverstone.

Mercedes was overigens het enige team dat Red Bull Racing kon kloppen tijdens de kwalificaties. De Duitse constructeur behaalde acht poleposities, waarvan vijf stuks voor Lewis Hamilton en drie voor Nico Rosberg.

2014: dominantie
2014 was het F1-seizoen dat Mercedes zou domineren na de invoering van de V6-turbomotoren. Al snel bleek dat de motor die Mercedes ontwikkeld had superieur was ten opzichte van de concurrentie. In combinatie met hun eigen wagen was Mercedes nauwelijks te bedreigen. Op 19 races behaalde de Duitse constructeur 16 overwinningen, waarvan 11 in combinatie met een tweede plaats, 18 poleposities en 12 snelste rondes. Daarmee behaalden ze de constructeurstitel en de rijderstitel met Lewis Hamilton. De sfeer binnen het team was dan wel weer minder door de interne strijd tussen Hamilton en Rosberg die voor enkele incidenten zorgden.

2015: nog beter dan vorig jaar
Nadat de Zilverpeilen het seizoen 2014 domineerden, waren ze ook sneller dan wie dan ook tijdens het tweede seizoen van het ‘V6-tijdperk’. Hoewel er tijdens het seizoen 2015 meer tegenstand kwam van onder andere het herboren Ferrari, wist Hamilton voor het tweede jaar op rij het kampioenschap te winnen. De titel bij de constructeurs was ook dit jaar voor het Duitse team. Tijdens zestien van de negentien Grote Prijzen mocht er een Mercedes-rijder zegevieren. Daarmee evenaren ze hun record van het jaar voordien. Verder behaalde Mercedes ook twaalf zogenaamde ‘één-twee’ overwinningen, wat één beter is dan in 2014.

2016: buiten categorie
Mercedes ging in 2016 verder op het elan van 2015. De zilverpijlen wonnen zo goed als elke race. Enkel in Spanje, toen beide wagens elkaar uit de race reden, en in Maleisië, toen Hamilton kort voor het einde uitviel, kon een Red Bull de overwinning pakken. Resultaat: Mercedes werd met een straat voorsprong constructeurskampioen.

De titelstrijd bij de rijders was veel spannender. Nico Rosberg kende een uitstekende start van het seizoen met vier overwinningen op rij. Daarmee nam de tweevoudige runner-up meteen een grote voorsprong op titelverdediger Hamilton. In de volgende race, die van Spanje, crashten beide rijders in elkaar bij de start. De relatie tussen de ploegmaats verzuurde nog meer dan het voorgaande seizoen.

Hamilton wist nog wel terug te knokken en nam voor de zomerbreak de leiding in het klassement over van Rosberg. Die startte na de zomerbreak dan weer furies met enkele overwinningen op rij om zo op kop aan het laatste deel van het seizoen te beginnen. Hamilton viel dan uit in Maleisië, waardoor het verschil ineens groot werd. Te groot voor de Brit, want ondanks vier overwinningen in de laatste vier races, kroonde Nico Rosberg zich voor de eerste keer in zijn carrière tot wereldkampioen. En meteen ook voor de laatste. Rosberg hing enkele dagen na de slotrace in Abu Dhabi zijn helm aan de haak.

Red Bull

Team: Red Bull
Wagen: Red Bull RB13
Motor: Tag Heuer (Renault)
Banden: Pirelli

Rijder 1: Daniel Ricciardo
Rijder 2: Max Verstappen
Testrijders: - f1 wagen Red Bull

Geschiedenis

Opgericht:
Red Bull Racing bestaat uit de fundamenten van Stewart -Ford, dat in 1999 de naam Jaguar kreeg. Stewart is het werk van Jackie en Paul Stewart.
Basis:
Milton Keynes (Engeland)


1965-1973: Succesrijk coureur Stewart wil eigen team
De geschiedenis van Red Bull Raicing is verbonden met de glorieuze carrière van de Schot Jackie Stewart. Die begint in 1962. Al in 1965 maakt John Young Stewart zijn Grand Prix-debuut, scoort in zijn eerste race een WK-punt en staat voor het einde van het jaar als winnaar in Monza op het erepodium. Een crash in België levert hem een gebroken schouder op en volledig herstel duurt bijna twee jaar. Als zijn oude vriend en mentor Ken Tyrrell in 1968 een eigen Formule 1-team vormt, verruilt Stewart zijn BRM voor de blauwe Matra- Ford. In 1969 is hij oppermachtig en pakt met zes overwinningen zijn eerste titel. Hij evenaart dit in 1971. In 1973 voegt hij een derde titel aan zijn palmares toe, die dan 27 overwinningen, 17 pole-positions en het toenmalige record van 360 WK-punten telt. En dat in 99 races. Wat een feestelijk afscheid moet worden tijdens zijn honderdste Grand Prix, loopt in oktober ‘73 uit op een tragedie als Stewarts teamgenoot tijdens de trainingen in Watkins Glen verongelukt. Tyrrell trekt zich terug uit de race en Stewart neemt stilletjes afscheid.

1974-1987: Wachten op een team
Jackie Stewart verdwijnt enige tijd naar de achtergrond, als hij zich met zijn vrouw Helen en zoons Paul en Mark op zijn privéleven in Zwitserland concentreert. Zijn roem blijft deuren openen. Hij wordt ambassadeur voor Ford, het wandelend visitekaartje voor GoodYear, een autoriteit op het gebied van verkeersveiligheid en commentator voor de Amerikaanse en Australische televisie. Met zijn zakencarrière verdient hij zijn dikgesmeerde boterham, meer dan zijn raceloopbaan ooit heeft opgebracht. In 1983 verrast zijn 18-jarige zoon Paul hem, als hij laat weten ook coureur te willen worden. Pa Stewart is tegen: Paul moet iets anders kiezen of in ieder geval eerst studeren. Hij pakt in Amerika een studie politieke wetenschappen aan, maar volgt als Robin Congdon tevens een racecursus op Brands Hatch. Zodra de studie is afgerond, kiest Paul voor een racecarrière.

1988-1995: Paul doet het
Jackie Stewart legt zich neer bij de keuze van zijn oudste zoon. Als Paul over talent blijkt te beschikken en Formule Ford 2000 wil racen, wordt een eigen team geboren: Paul Stewart Racing. Wat begint als een driemans-formatie, groeit uit tot een bedrijf dat in elke raceklasse waarin het uitkomt een nieuwe standaard zet. Eerst helpt PSR Paul Stewart hogerop in de Formule 3 en later de Formule 3000, maar tot een echte doorbraak komt het niet. Eind ‘93 test Paul Stewart op Silverstone een Arrows en lijkt de sprong naar de Formule 1 nabij, tot Paul zich bedenkt. Hij geeft zijn coureursloopbaan op en stort zich geheel op de leiding van PSR. Het team wil een ‘opstapje voor talent’ zijn, dat jonge rijders via de Formule Opel Lotus, Formule 3 en Formule 3000 naar de top leidt. Talenten als David Coulthard, Gil de Ferran, Kelvin Burt, Jan Magnussen, André Ribeiro en Dario Franchitti liften mee. Eind ‘96 boekt PSR de honderdste overwinning en wordt het tiende kampioenschap binnengehaald.

1996-1997: Eindelijk!
In 1995 denken Jackie en Paul Stewart serieus na over de Formule 1. Een voorwaarde is wel dat er een grote motorfabrikant achter het project staat. Stewarts relatie met Ford levert hem een exclusief vijfjarig contract op. De Stewarts beginnen met PSR als basis met de opbouw van hun Grand Prix-team. Ze slaan ontwerper Alan Jenkins aan de haak en weken aërodynamica-specialist Eghbal Hamidy los bij Williams. Rubens Barrichello wordt aangetrokken als een van de rijders. Even zijn er besprekingen met Damon Hill, maar als de wereld-kampioen voor Arrows kiest krijgt Jan Magnussen de tweede auto. Op 10 december is de eerste Stewart-Ford klaar. Op 9 maart begint Jackie Stewart in Australië aan de belangrijkste race van zijn carrière. Het eerste seizoen verloopt moeizaam. Ford heeft een lange weg te gaan om de V10 op topniveau te brengen en betaalt hiervoor een prijs met veel opgeblazen motoren. Stewart hoopt in de laatste races van het seizoen een paar puntjes te scoren. Groot is dan ook de verrassing als Barrichello al in Monaco de tweede plaats pakt.

1998-1999: Snelle eerste zege onverwacht
Het is een Formule 1-wet dat het tweede seizoen in het bestaan van een team nog moeilijker is dan het eerste. Jackie Stewart wil daar niets van weten, maar tot zijn schrik krijgen de zwartkijkers gelijk. Het team begint in 1998 met Barrichello en Magnussen, maar de laatste wordt halverwege het jaar vervangen door Jos Verstappen. Hoewel Ford zelf ook nog steeds in gebreke blijft met de kwaliteit van zijn motor wil de hoofdsponsor betere resultaten zien. Maar ook Verstappen kan de malaise niet keren. Het team heeft veel problemen met de auto en vooral de revolutionaire versnellingsbak, waardoor uitvalbeurten aan de orde van de dag zijn. Spanje en Canada leveren de enige punten op. Even staat het team nog vijfde in de strijd om de constructeurstitel, maar Stewart eindigt het jaar op de achtste plaats met vijf punten.

Hoe anders is 1999. Nog steeds is het zwakke punt de onbetrouwbaarheid en daarvan is met name de nieuwe coureur Johnny Herbert het slachtoffer. Maar als de boel heel blijft, laat vooral Barrichello uitstekende dingen zien. Zo leidt hij in Brazilië en Frankrijk. Uiteindelijk is het echter uitgerekend Herbert die zijn baas Jackie Stewart de tranen in de ogen bezorgt. Tijdens de verregende Grand Prix van Europa op de Nurburgring stuurt hij zijn Stewart met het nodige geluk als eerste over de finish. De vierde plaats in het constructeursklassement met 36 punten is een mooi afscheid van Stewart, want Paul en Jackie Stewart hebben het team verkocht aan Ford dat het vanaf 2000 voortzet onder de naam Jaguar.

2000-2004: De Jaguar-periode
Het debuutjaar van Jaguar draait uit op een debacle. De auto is onbetrouwbaar en lang niet snel genoeg. Johnny Herbert en de nieuwe kopman Eddie Irvine hebben de grootste moeite om races uit te rijden. Mocht dat al lukken, dan is het voor het tweetal een heksentoer om in de punten te eindigen. Uiteindelijk slaagt alleen Irvine daar tweemaal in, in Monaco en Maleisië. In totaal bezorgt hij zijn team vier punten, goed voor een beschamende negende plaats in het constructeurs- kampioenschap. Johnny Herbert eindigt zijn Formule 1-loopbaan. Hij rijdt in Maleisië zijn laatste race. Bij deze ‘feestelijke’ gelegenheid breekt zijn achterwielophanging af. Het betekent zijn zoveelste uitvalbeurt, waarbij Herbert nog van geluk mag spreken dat hij er heelhuids af komt.

Het seizoen van 2000 is vergeten bij Jaguar en men is voor 100% geconcentreerd op 2001. De Braziliaan Luciano Burti is de vervanger van Herbert. Hij is niet nieuw in de F1 want vorig seizoen deed hij eenmaal mee, ter vervanging van de zieke Eddie Irvine in Oostenrijk. Na een paar GP’s is Burti’s liedje bij Jaguar uit en wordt hij vervangen door de meer getalenteerde Spanjaard Pedro de la Rosa. Beide Jaguars tonen aan snel te kunnen zijn in kwalificatie. Het hoogtepunt van het seizoen vindt plaats in het glamoureuze Monaco, waar Eddie Irvine 3de finisht en Jaguar zijn eerste podium schenkt. Het team behaalt punten, goed voor in het constructeursklassement.

Het Jaguar team stapt met vol vertrouwen af op het nieuwe seizoen. In de eerste race is meteen duidelijk dat Jaguar niet beter is dan het minder goede Minardi team en Arrows. De Jaguar R3 is 1 totale ramp. Naarmate het seizoen verder evolueert, komen de geruchten naar boven Pedro de la Rosa zou verkeerde informatie gegeven hebben aan de mecaniciens van het Jaguar F1 team. Hierdoor hebben ze bij Jaguar veel tijd verloren en moeten ze een totaal nieuw aërodynamica pakket maken. In de laatste 5 races van het seizoen rijd men bij Jaguar rond met dit verbeterde pakket en de resultaten zijn meteen merkbaar. Eddie Irvine kan zelfs nog een 3de plaats behalen te Monza. Irvine en de la Rosa worden na het seizoen buitengesmeten door Niki Lauda en vervangen door Webber en Pizzonia.

In de seizoenen 2003 en 2004 werden de prestaties van het team stabieler. Toch slaagde Jaguar er nooit in om indruk te maken. Ford zag een toekomst in de Formule 1 niet langer als een mogelijkheid en besloot het team te koop aan te bieden.

2005-???: Red Bull, het flamboyantste team op de grid
Toen de Oostenrijkse miljardair Dietrich Mateschitz in 2004 kwam aankloppen bij Ford, werd daar niet lang getwijfeld. Het team kwam zo in handen van de grote baas van energiedranken gigant Red Bull. De teamnaam veranderde naar Red Bull Racing en het team werd de sfeermaker in de paddock. Al snel bleek echter dat Red Bull Racing niet zomaar een marketingspeeltje was voor Mateschitz.

2005 werd het debuutseizoen voor Red Bull met David Coulthard en Christian Klien als piloten. Het was meteen een merkelijke verbeteringen ten opzichte van wat voorganger Jaguar kon presteren. Voor het seizoen 2006 verzekerde Red Bull zich van de diensten van topontwerper Adrian Newey. Het team kon ook rekenen op motoren van Ferrari. De eerste podiumplaats voor het team kwam er in de Grote Prijs van Monaco van dat jaar. David Coulthard eindigde er derde.

In 2007 profiteerde het team voor het eerst van de ontwerpen van Adrian Newey. De Red Bull RB3 werd aangedreven door Renault motoren. Mark Webber vervoegde het team en pakte een podiumplaats in de Grote Prijs van Europa. Een hoogtepunt dat seizoen want David Coulthard werd in die race ook knap vijfde.

2008 begon goed voor Red Bull en even leek het op weg naar een goede notering in het constructeurskampioenschap. In het tweede deel van het seizoen viel het team echter terug met een zevende plaats in de eindstand tot gevolg.

2009: eerste topseizoen
In het seizoen 2009 veranderden de wagens van uiterlijk en dat is een kolfje naar de hand van topontwerper Adrian Newey. De Brit bracht een zeer goede wagen aan de start, maar de Brawn GP’s waren beter. Daar kon zelfs de nieuweling in het team, Sebastian Vettel, niets aan doen. Naargelang het seizoen vorderde haalde Red Bull Brawn GP in, maar met zes zeges was er niets meer aan Jenson Button te doen. Vettel en Webber behaalden respectievelijk een tweede en vierde plaats in het kampioenschap. In het jaar van hun eerste pole en hun eerste zege werd Red Bull tweede in het constructeurskampioenschap. Red Bull was niet langer het team dat vooral bekend was van haar vele feestjes.

2010: kampioen
Nadat Red Bull zich het sterkste toonde in de laatste races van 2009 en tijdens de testsessies, waren de verwachtingen hoog. Red Bull had nu goede rijders en een goede wagen. Toch bleek al snel dat Vettel te veel in de fout ging of af te rekenen kreeg met pech. Mark Webber had op zijn beurt problemen met constant presteren. Red Bull was oppermachtig op sommige circuits, maar moest soms ook opboksen tegen stevige concurrentie. Daarbij kwam een interne strijd om de eerste plaats binnen het team, met als triest hoogtepunt een crash tussen beide rijders in Turkije. De constructeurstitel was geen probleem, maar voor het rijderskampioenschap kwam Red Bull in nauwe schoentjes. In de laatste race bracht Sebastian Vettel dan toch beide titels voor het eerst naar Red Bull.

2011: alleenheerser
2011 was het seizoen van Red Bull. Vettel kwam in de eerste gp aan de leiding van het kampioenschap en kwam er nooit meer af. Met nog drie races te gaan was het team al zeker van beide titels. De statistieken zeggen genoeg: 12 overwinningen, 27 podia en 18 poleposities op 19 gp’s.

2012: Slecht begin maar toch kampioen
Red Bull startte het seizoen niet al te best. Het verbod op de geblazen diffuser speelde het team van de wereldkampioen parten. Red Bull kwam slechts sputterend op gang. Mark Webber kon in de eerste vier grote prijzen telkens als vierde eindigen en Sebastian Vettel kon één gp winnen in Bahrein.

In de eerste seizoenshelft behaalde Red Bull drie overwinningen, twee voor Webber en één voor Vettel. Verder waren er nog maar twee podiumplaatsen voor Vettel. Voor de rest kwam het er voor Red Bull op aan om de schade te beperken.

In het tweede gedeelte van het seizoen kon Red Bull en vooral Vettel zich herpakken, mede door het dubbele DRS-systeem. Enkel een kapotte alternator voor Vettel in de grote prijs van Europa en Italië gooide roet in het eten. Van de laatste negen races won Vettel er vier, in drie andere eindigde hij op het podium en in één race had hij pech. In de denderende allesbeslissende laatste race draaide het uit in het voordeel van Sebastian Vettel. De Duister werd de jongste drievoudig wereldkampioen in de geschiedenis van de Formule 1. Webber eindigde als zesde na een slechte tweede seizoenshelft met slechts twee podia. Red Bull werd ook weer wereldkampioen.

2013: Multi 21 en opnieuw wereldkampioen
2013 werd voor Red Bull opnieuw een seizoen van hoogtepunten. De Oostenrijkse renstal stond aan het begin van het seizoen echter in het oog van de storm. Toen Mark Webber in Maleisië aan de leiding reed, en Sebastian Vettel de opdracht kreeg van zijn team om de Australiër niet aan te vallen (Multi 21 was daarbij het codewoord), deed de Duitser toch zijn eigen zin, en pakte in allerlaatste instantie toch nog de overwinning af van zijn teamgenoot.

De storm ging echter al snel liggen, want Vettel was opnieuw de meest consistente van de twee, en vanaf de GP van België won de regerende wereldkampioen alles wat er nog te winnen viel, om zo zijn vierde titel op rij te pakken. Het betekende ook meteen de vierde opeenvolgende constructeurstitel voor Red Bull.

2014: Beste na Mercedes
Het seizoen 2014 werd gedomineerd door Mercedes die met hun nieuwe V6-turbomotor de beste motor hadden ontwikkeld. Red Bull was met haar Renault-motor op de snellere circuits geen partij voor de zilverpijlen. Pas als het mis liep bij Mercedes kwam Red Bull in beeld voor de overwinning. Zo behaalde het team 12 podiumplaatsen en 3 overwinningen. Van die erelijst waren er slechts 4 podiumplaatsen van regerend wereldkampioen Sebastian Vettel, die overklast werd door teamgenoot Daniel Ricciardo. Door consequent vooraan mee te draaien werd Red Bull best of the rest, tweede in het constructeurskampioenschap.

2015: teruggedrongen door Renault-krachtbron
Red Bull Racing kwam in 2015 verschillende keren opvallend is het nieuws. Niet door hun sportieve resultaten, maar door de activiteiten die naast het circuit plaatsvonden. Red Bull brak immers de samenwerking met Renault en wou maar al te graag een krachtbron gebruiken van Mercedes of Ferrari. Maar bij beide motorleveranciers liep het stroef, waardoor het team uit Milton Keynes toch maar opnieuw terechtkwam bij Renault dat tijdens het seizoen 2016 onder de naam van de nieuwe sponsor Tag Heuer een krachtbron zal leveren. Nadat het team in 2014 nog drie keer wist te winnen, was het seizoen 2015 heel wat minder. Enkel op de trage circuits zoals Boedapest of Singapore kwam Red Bull Racing in de buurt van het dominante Mercedes. Een vierde plaats in het kampioenschap is het resultaat, hun slechtste resultaat sinds 2008. Dit is te verklaren door het feit dat de krachtbron heel wat vermogen miste in vergelijking met de concurrenten, maar de bolide had het ook lastig met de betrouwbaarheid. Daardoor wisten Daniel Ricciardo en nieuwe teamgenoot Daniil Kvyat samen maar drie keer op het podium eindigen. 

2016: Best of the rest
2016 zal de geschiedenis ingaan als het jaar van de doorbraak van Max Verstappen. De Nederlander begon het seizoen bij Toro Rosso, maar mocht na tegenvallende resultaten van Daniil Kvyat al na vier races de overstap maken naar grote broer Red Bull. Verstappen bedankte zijn nieuwe team meteen voor het vertrouwen door de GP van Spanje te winnen. Het begin van een Verstappen-mania, die bij elk spectaculair inhaalmanoeuvre van de Nederbelg toenam.

Ook teamgenoot Daniël Ricciardo wist een Grote Prijs te winnen, met name die van Maleisië. De Australiër was de regelmatigste niet Mercedes-rijder, wat hem een derde plaats opleverde in het rijdersklassement. Red Bull het seizoen afsluiten als tweede in het constructeursklassement en het enige team dat Mercedes enkele overwinningen wist af te snoepen.

Renault

Team: Renault
Wagen: Renault R.S.17
Motor: Renault
Banden: Pirelli

Rijder 1: Nico Hulkenberg
Rijder 2: Jolyon Palmer
Testrijders: Sergey Sirotkin f1 wagen Renault

Geschiedenis

Opgericht:
Renault is ontstaan uit Benetton. Bij de start van het seizoen 2002 zal het team de naam Renault dragen. Benetton zelf werd door Luciano Benetton in 1985 opgericht.

Basis:
Enstone, Engeland


1981-1985: Fundamenten van Toleman
In 1981 maakt het Toleman-team de overstap van de Formule 2 naar de Formule 1. Gereden wordt met een Hart-turbo. Het eerste jaar is hopeloos. Pas aan het einde van het seizoen slagen de beide coureurs, Brian Henton en Derek Warwick, erin zich voor een race te kwalificeren. Het jaar erop haalt Warwick op Zandvoort de eerste punten voor het team.

In 1984 debuteert een zekere Ayrton Senna in de Toleman. Hij behaalt in Monaco een tweede plaats voor het team, dat het jaar erop zonder bandenleverancier zit en daardoor aan het begin van het seizoen niet aan de start komt. Later in het haar behaalt Teo Fabi op de Nürburgring zowaar een pole-position.

1986-1989: Op zoek naar de middenmoot
De Italiaanse familie Benetton, eigenaar van de gelijknamige kledingfabriek, stapt in 1983 als sponsor van Tyrrell in de Formule 1. De twee jaren erop financieert de firma het weinig succesvolle Alfa Romeo- team.
In 1985 redt Benetton Toleman van de ondergang. Aan het einde van het neemt Luciano Benetton het complete team over en doopt het om tot Benetton Formula.  Door een deal met BMW krijgt Benetton in 1986 de krachtigste turbomotor van het veld. De modieus gekleurde 186 is snel, maar onbetrouwbaar. Aan het einde van het seizoen pakt Gerhard Berger in Mexico de overwinning. Voor Teo Fabi zijn twee poles en een vierde plaats de beste resultaten. Eind ‘86 stapt BMW uit de Formule 1. Benetton gaat in zee met Ford, dat een nieuwe 6-cilinder turbo ontwikkelt. De motor is te nieuw en te zwak.

Fabi en Bergers opvolger Thierry Boutsen komen in 1987 niet verder dan enkele vierde plaatsen.In het laatste turbojaar kiest Benetton voor de atmosferische Ford-achtcilinder.  Boutsen eindigt het seizoen ‘88 als vierde in het kampioenschap, maar tegen de McLarens en Ferrari’s is Benetton niet opgewassen. Nieuwe man Alessandro Nannini eindigt in Engeland en Spanje als derde.

In 1989 erft hij in Japan de zege, als Senna wordt gediskwalificeerd. Het is het hoogtepunt van het jaar, waarin Nannini als zesde eindigt. Diezelfde Nannini wint de tweede GP in de geschiedenis van Benetton in Japan. Johnny Herbert bestuurt aanvankelijk de tweede auto, maar Ford wil een fittere rijder en kiest voor Emanuele Pirro. In ‘89 krijgt het team een nieuw gezicht: Flavio Briatore, weggeplukt bij Benettons modeafdeling in Amerika, volgt Peter Collins en David Paolini als teamleider op.

1990-1995: Succesvolle jaren
In 1990 contracteert het team de ervaren Nelson Piquet. Hij schittert aan het einde van het jaar, met zeges in Japan en Australië. In het kampioenschap eindigt hij als derde. In Japan finisht Roberto Moreno als tweede. De Braziliaan vervangt Nannini, die enkele weken eerder tijdens een helikopterongeluk zijn linker onderarm is kwijtgeraakt. Hij komt er weer bovenop, maar zal nooit meer in de Formule 1 racen.  Voor 1991 wil Benetton een grote stap voorwaarts maken. Het team bundelt de krachten van Tom Walkinshaw en John Barnard. Piquet behaalt in Canada zijn laatste Grand Prix-zege. Een echte stap vooruit boekt het team vanaf Italië, als Michael Schumacher voor het eerst in de Benetton zit. Het is het begin van een nieuw tijdperk.

Tussen 1992 en ‘95 draait alles binnen Benetton om één man: Michael Schumacher. Martin Brundle en Riccardo Patrese ondervinden dat aan den lijve. Schumacher wint in twee seizoenen twee races, maar is in 1994 klaar voor de titelstrijd. Hij kan zich meten met Ayrton Senna en erft na diens overlijden de rol als titelfavoriet. Met slechts 1 puntje voorsprong op Damon Hill wordt Schumacher wereldkampioen. Een smet op de titel zijn de verdenkingen van fraude en twee diskwalificaties. Jos Verstappen maakt zijn F1-debuut in de tweede Benetton en behaalt tien punten. Na één jaar moet hij alweer plaatsmaken voor Johnny Herbert.

In 1995 is Benetton heer en meester: Schumacher wint negen keer en wordt opnieuw wereldkampioen, Herbert twee keer. Benetton, dit seizoen met Renault-motoren, verovert de eerste constructeurstitel.

1996-2001: Niet meer dan een middenmoter
Benetton, voortaan met Italiaanse licentie, ontdekt in ‘96 hoe afhankelijk het team van de naar Ferrari vertrokken Schumacher is geweest. Jean Alesi en Gerhard Berger kunnen niet overweg met de auto zoals de Duitser die heeft ontwikkeld.  Ook de ontwerpers Ross Brawn en Rory Byrne verlaten het team, dat pas in Duitsland ‘97 zijn eerste zege sinds Schumachers vertrek behaalt. Berger is de gelukkige.

Het seizoen ‘98 begint met het aantrekken van twee nieuwe coureurs. Teambaas David Richards moet Benetton een nieuw elan geven met Giancarlo Fisichella en Alexander Wurz. De Benetton is de eerste wedstrijden gelijkwaardig aan de Williams. Beide coureurs zijn aan elkaar gewaagd. Eerst blinkt Wurz uit, later gaat Fisichella hem overvleugelen. Er worden regelmatig punten gescoord, totdat ze bij Jordan en Williams de zaakjes op orde hebben. Voor de eerste keer sinds 1986 eindigt Benetton in 1998 niet bij de eerste vier in het constructeursklassement.

Het jaar erna zet het verval door. Fisichella en Wurz zijn voornamelijk in het rechterrijtje van de trainingstijden terug te vinden. Maar waar de eerste tijdens de races nog weleens wat presteert, weet de Oostenrijker geen potten meer te breken. Met een beetje geluk is er toch nog uitzicht op een zege, maar Fisichella glibbert op de verregende Nürburgring in leidende positie van de baan. Het is een typerend moment voor het seizoen en interim-teambaas Rocco Benetton schudt dan ook het hoofd.

Al vroeg in 2000 kiest de familie Benetton eieren voor haar geld: zij verkoopt het team aan Renault. De gewezen teambaas Flavio Briatore keert terug en met hem komen de resultaten, zij het nog mondjesmaat. Fisichella boekt drie podiumplaatsen en Benetton sluit het seizoen 2000 nipt af in de top vier van de constructeurs.

In het laatste jaar Benetton begint het team zeer zwak aan het seizoen. De Reanult-motoren zijn in volle ontwikkeling wat de zakke start verklaart. Dit werd ook zelf door het team aangekondigd. Rijders Fisichella en Button, in zijn eerste jaar bij Benetton, behalen in totaal 10 punten, goed voor een 7de plaats in het WK voor constructeurs. Hoogtepunt is de derde plaats van Fisichella in Belgie. Voor volgend seizoen rijden Jarno Trulli en Jenson Button in het nieuwe Renault team.

2002: 100% Renault
Renault is terug in de Formule 1 en ze zullen het geweten hebben in de Formule 1. Een nieuwe wind waait er in de Fabrieken van Renault, en men hoopt het jaar te starten met enkele kleine successen. In de eerste race van het jaar worden er meteen punten gepakt. Jenson Button word de ware held in de eerste 4 races bij Renault. Jarno Trulli heeft op dat moment minder geluk en kan telkens niet finishen. Voor het eerst in zijn leven kan Trulli bijna racen zonder problemen en word hij naarmate het einde van het seizoen nadert steeds sterker. Op enkele races voor het einde van het seizoen, word er aan Jenson Button verteld dat hij kan opstappen en dat hij bedankt is voor bewezen diensten. De Spanjaard Fernando Alonso neemt in 2003 zijn plaats in.

2003-2004: Intrede van de toreador
De intrede van Fernando Alonso in de Formule 1 ging niet onopgemerkt voorbij. De Spanjaard maakte meer dan eens indruk en won z’n eerste Grote Prijs in Hongarije. In 2004 maakte Renault opnieuw een grote stap voorwaarts. Het team hoorde thuis in de subtop en het was Jarno Trulli die voor een overwinning kon zorgen in de Grote Prijs van Monaco. Later werd Trulli aan de kant geschoven. Z’n plaats werd ingenomen door Jacques Villeneuve. De wereldkampioen kon echter geen indruk maken.

2005-2006: Twee keer wereldkampioen
Vanaf het seizoen 2005 strijdt Renault volop mee voor de titel. Giancarlo Fisichella werd de tweede rijder van het team maar het was opnieuw Fernando Alonso die het team vooruit hielp. De Spanjaard werd uiteindelijk wereldkampioen bij de piloten terwijl Renault ook het constructeurskampioenschap won. In 2006 was er dan de fikse strijd tussen Alonso en Ferrari-piloot Michael Schumacher. Toen die laatste in de voorlaatste Grote Prijs van het seizoen moest opgeven, lag de weg open voor Alonso om z’n tweede wereldtitel te winnen.

2007: Terugval zonder Alonso
Het is nooit aangenaam voor een team om haar wereldkampioen te zien verhuizen naar een concurrent. Dat was ook bij Renault het geval. De Franse renstal zag haar toprijder verhuizen naar Mclaren en raakte in een crisis terecht. Fisichella en nieuwkomer Heikki Kovalainen waren niet in staat om de leemte die de Spanjaar achter liet op te vullen en het team kwam nooit in aanmerking voor de wereldtitel.

2008: De terugkeer van Alonso
Na de teleurstellende samenwerking met Mclaren keerde Fernando Alonso begin 2008 terug naar Renault. Hij vond er echter een heel ander team terug dan datgene hij eind 2006 had achtergelaten. Doorheen het jaar keerde Renault stilaan terug naar de voorgrond met aan het einde zelfs nog twee overwinningen van Alonso in Singapore en Japan.

2009:
Na een weinig succesvol begin van het seizoen werd Nelson Piquet Jr. na de grote prijs van Hongarije ontslagen en Romain Grosjean aangenomen. De Braziliaan bracht een hele affaire, de crashgate genaamd, aan het licht. Hij zou vrijwillig gecrasht zijn in de grote prijs van Singapore in 2008 op een plaats waar men hem niet vlot kon weghalen. Daardoor moest de safety car uitkomen en daar kon zijn teamgenoot van profiteren en de race winnen. De FIA besliste dat de opdrachtgevers verbannen werden uit de autosport: teambaas Flavio Briatore levenslang en technisch directeur Pat Symonds voor vijf jaar. Later werden de schorsingen nietig verklaard. Renault verloor nagenoeg alle sponsors en kon juist in Singapore haar enige podium behalen.

2010:
Voor het seizoen van 2010 verkocht Renault 75% van de aandelen aan Genii Capital, een Luxemburgse investeringsmaatschappij. Dat om de kosten, vanwege de financiële crisis, te drukken. De Franse autobouwer bleef wel aan als motorenleverancier.
Ook waren ze hun beste rijder, Ferando Alonso, kwijt aan Ferrari. Robert Kubica en rookie Vitaly Petrov zouden het bekende automerk vertegenwoordigen. Zij bezorgden Renault de vijfde plaats in het constructeurskampioenschap en drie podiumplaatsen.

2011:
Bij aanvang van het seizoen 2011 maakte de Lotus Group bekend dat ze de overige aandelen (25%) van Renault hadden gekocht en een gedeelte van Genni Capital. Dat om de strijd tegen Lotus Racing aan te gaan, die zichzelf de rechten op de naam Team Lotus claimden. De wagens verschenen in het zwart met gouden sponsoring zoals in de jaren ’70. Renault bleef in de naam en verlengde haar contract als motorenleverancier. 2011 startte goed voor het Lotus Renault F1 Team. In de eerste twee races verdeelden Petrov en Heidfeld twee podiumplaatsen onder elkaar. Maar de wagen bleek al snel geen topper en kon door zijn unieke uitlaat moeilijk worden aangepast. Punten pakken was de moeilijke boodschap voor de rest van het seizoen. Als gevolg van de resultaten werd Heidfeld nog maar eens midden in een seizoen vervangen, dit maal door Bruno Senna. Renault werd uiteindelijk vijfde.

2012: Raikkonen imponeert tijdens comeback
In 2012 kwam Lotus op de proppen met twee rijders die hun comeback maakten in de formule 1. Kimi Raikkonen stapte terug over van de rally en GP2-kampioen Romain Grosjean kreeg een tweede kans. Voor de één werd de comeback iets geslaagder dan voor de ander.

Raikkonen zou de enige worden die alle ronden van het seizoen zou af werken. Daarbij moest de Fin maar één keer naar huis zonder punten Samen met een overwinning en zes andere podiumplaatsen maakte dat Raikkonen nog tot de voorlaatste race een titelkandidaat. Hij werd derde in het wk.

Ook Grosjean reed zich in de picture, maar op een andere manier. De Fransman viel verschillende keren uit door een crash in de eerste ronde en werd gevreesd door het ganse rijdersveld. Na Spa werd Grosjean zelfs voor een race geschorst en mocht Jerome d’Ambrosio hem vervangen, zonder veel succes. Grosjean behaalde drie podia en werd achtste in het kampioenschap. Lotus werd vierde in het constructeurskampioenschap.

2013: Financiële problemen overschaduwen het seizoen
Het seizoen kon niet beter starten voor Lotus. Na de kwalificaties leek het moeilijk te worden voor Lotus om mee te vechten voor de zege, maar door een perfecte strategie, en de manier waarop de E21 met de snelslijtende banden omging, pakte Kimi Raikkonen de overwinning in Melbourne. Daarna rezen echter al snel vragen of Lotus met hun beperkte budget voorin zou kunnen blijven meestrijden. Die vraag werd al snel beantwoord, want verder dan een aantal podiumplaatsen kwam Lotus niet.

Ook opvallend was de wedergeboorte van Romain Grosjean. Na 2012 werd door iedereen hard getwijfeld aan de F1-waardigheid van de Fransman. Grosjean kreeg uiteindelijk toch het vertrouwen van Eric Boullier, en bedankte met enkele opvallende prestaties, waarin hij een paar keer dicht bij een eerste overwinning kwam.

2014: terug naar af
Nadat Kimi Raikkonen terug mocht naar Ferrari verwelkomden ze bij Lotus Pastor Maldonado die de financiële toestand van het team weer wat kon opkrikken, maar daarom nog de prestaties niet. Maldonado en Grosjean eindigden drie keer in de punten en konden zo toch nog de achtste plaats bij de teams veroveren. Van de vorm van vorig seizoen schoot duidelijk niets meer over. Op zoek naar prestaties besloot Lotus om in 2015 met de betere Mercedes-motoren te gaan rijden.

2015: Financiële problemen en de overname door Renault
Na een dramatisch verlopen seizoen 2014 moest het beter gaan voor Lotus in 2015. Het team uit Enstone stapte over naar de Mercedes-krachtbron en het voordeel was duidelijk merkbaar. Met Romain Grosjean en Pastor Maldonado als rijders was het vooral de Fransman die voor punten zorgde voor Lotus. Grosjean behaalde een podiumplaats in België en maakte even later bekend over te stappen naar het nieuwe Haas F1 team. Verder kwam Lotus geregeld in het nieuws wegens geldproblemen, maar gelukkig was er Bernie Ecclestone die het geplaagde Lotus uit de problemen hielp. Na maanden van speculaties werd de renstal overgenomen door Renault dat opnieuw met haar eigen team deelneemt aan de Formule 1.

2016: Matige terugkeer van Renault
De naam Renault keerde in 2016 terug in de Formule 1. Het Franse team had de ambitie om binnen de vijf jaar weer mee te strijden voor de wereldtitel. Het werd echter meteen duidelijk dat het team in haar eerste jaar niet mee zou spelen voor de prijzen. Kevin Magnussen en Jolyon Palmer kwamen bijna nooit in de buurt van de punten. Renault eindigde het seizoen op een teleurstellende negende plaats in het constructeursklassement. Daarnaast kreeg de constructeur doorheen het seizoen kritiek van Red Bull, waar het de motoren aan leverde. Deze zouden immers veel te weinig kracht leveren.

Sauber

Team: Sauber
Wagen: Sauber C36
Motor: Ferrari
Banden: Pirelli

Rijder 1: Marcus Ericsson
Rijder 2: Pascal Wehrlein
Testrijders: - f1 wagen Sauber

Geschiedenis

Opgericht:
Het Zwitserse Sauber werd in 1970 door Peter Sauber opgericht. In 1993 debuteert het team in de F1.

Basis:
Hinwil (Zwitserland) en Munchen (Duitsland)

1970-1992: Peter Sauber zoekt een team
Een vreemde eend in de bijt, dat blijft een Formule 1-team uit Zwitserland. Het land heeft geen enkel circuit en autosport is er sinds de jaren vijftig verboden. Dat heeft Peter Sauber er niet van weerhouden van de racerij zijn leven te maken. In 1967 begint hij met het aanpassen van een VW Kever, maar al snel bouwt hij zijn eigen open sportwagen. Het wordt de Sauber C1, waarbij de C verwijst naar zijn vrouw Christiane. Peter Sauber stuurt die dagen nog zelf, maar stopt in het begin van de jaren zeventig. Hij bouwt grotere sport- wagens en doet mee aan Le Mans.

De serieuze aanpak van Sauber valt fabrikanten als Ford en BMW op, maar het is Mercedes die in 1984 een nauwe samenwerking aangaat. Eerst staan de auto’s als Sauber-Mercedessen op de startopstelling van het wereldkampioenschap sportwagens (Groep C).

Vanaf 1989, met diverse zege’s op hun naam, worden het Mercedes ‘Silberpfeile’. Sauber is de officiële raceafdeling van Mercedes en wint in 1989 en 90 het WK-sportwagens bij coureurs en constructeurs.
In 1991 besluit Mercedes een eigen Formule 1-wagen te bouwen, die in 1993 zou moeten debuteren. Sauber trekt Harvey Postlethwaite aan om de auto te ontwerpen, maar als de Brit goed en wel bezig is krabbelt Mercedes terug.

1993-1994: Moeilijke debuutjaren
Peter Sauber ziet geen andere mogelijkheid om zijn fabriek draaiende te houden dan zelf in de Formule 1 te stappen. Hij doet dat echter niet zonder uitgebreide financiële en technische ondersteuning uit Stuttgart, die ‘Concept by Mercedes-Benz’ op de motorkap laat zetten. Daaronder zit de in opdracht van Mercedes ontwikkelde Ilmor-tiencilinder. Ex-Mercedes Junior Team-rijder Karl Wendlinger en J.J. Lehto mogen de wagens besturen. De Fin wordt tijdens het debuut in Zuid-Afrika vijfde. De zwarte auto’s eindigen nog vier keer in de punten, waardoor het team als zevende in het constructeurskampioenschap eindigt.

In 1994 wordt de motor omgedoopt tot Mercedes, ten teken dat de Duitsers nog meer bij het team betrokken zijn. Ex-Mercedes-coureur Heinz-Harald Frentzen neemt de plaats van Lehto in. Het team moet dit seizoen vooral op de jonge Duitser steunen, nadat Wendlinger tijdens de training in Monaco zwaar is gecrasht. Drie weken ligt de Oostenrijker in coma, waarna een lang herstel volgt. Andrea de Cesaris neemt zijn plaats over, maar scoort slechts één keer. Frentzen sleept nog een keer een vierde plaats binnen. Het is een moeilijk jaar, waarin het team bovendien in geldproblemen komt als hoofdsponsor Broker een zeepbel blijkt.

1995-1996: Zoektocht naar een competitieve wagen
Mercedes is tevreden over Sauber, maar geeft er de voorkeur aan om vanaf 1995 een langdurige samenwerking aan te gaan met McLaren. Sauber sluit een deal met Ford en krijgt de achtcilinders, waarmee Michael Schumacher in 1994 wereldkampioen is geworden. In de Sauber komt de Ford duidelijk minder goed uit de verf, terwijl ook de C14 niet de beste auto is. Frentzen maakt veel goed, als hij in Monza de derde plaats pakt. Het is het beste resultaat van Sauber tot dan toe. Met teamgenoot Wendlinger gaat het minder goed. Hij ontdekt na enkele Grand Prix’ toch nog niet hersteld te zijn en laat het stuur over aan Jean-Christophe Boullion. De jonge Fransman valt zo tegen, dat Sauber Wendlinger een laatste kans geeft: hij mag de laatste twee races van het seizoen laten zien wat hij kan. Het zijn de laatste Grand Prix’ uit zijn loopbaan.

In 1996 verdiept Sauber de samenwerking met zijn sponsor Red Bull. De fabrikant van het energiedrankje en de Oostenrijker Fritz Kaiser nemen een belang in de Red Bull Sauber Holding. De Maleisische olieconcern Petronas wordt een stevige sponsor. Ford levert een V10, maar de motor komt ernstig vermogen en betrouwbaarheid te kort om het team aan de top te laten meedraaien. In Monaco vergooit Frentzen zijn kansen op de overwinning en moet hij genoegen nemen met een vierde plaats, achter zijn nieuwe teamgenoot Johnny Herbert. Het wordt het hoogtepunt van een moeizaam jaar.

1997-1999: Beterschap
Met de centen van Petronas legt Peter Sauber een troefkaart op tafel. De Zwitser benadert Ferrari voor een nauwe technische samenwerking. Sauber krijgt de beschikking over Ferrari-motoren die het team omdoopt in Sauber-Petronas. De krachtbron is steeds die waarmee het Ferrari-team in het voorafgaande seizoen heeft gereden. De nieuw opgerichte firma Sauber Petronas Engineering ontwikkelt onder leiding van Osamu Goto de motor door. De tweede auto wordt in 1997 zonder veel succes bestuurd door Nicola Larini, Gianni Morbidelli en Norberto Fontana. De resultaten komen van Johnny Herbert, die in Hongarije derde wordt en diverse keren opvallende races rijdt. Na Monza heeft Peter Sauber een verrassing in petto: hij contracteert Jean Alesi voor twee jaar, in de hoop eindelijk tot de top te kunnen doordringen.

Johnny Herbert denkt Jean Alesi in 1998 wel aan te kunnen, maar dat pakt anders uit: Alesi is meestal sneller. De top wordt echter allesbehalve bereikt. Alesi beklimt eenmaal het podium; in de regen in België eindigt hij op de derde plaats. Herbert krijgt tijdens de race in Engeland ruzie met het team. Over de radio wordt verteld dat hij Alesi voor moet laten gaan. De Engelsman weigert maar spint prompt van de baan.

Sauber moet voor het nieuwe seizoen kiezen tussen twee coureurs die weigeren samen verder te gaan. De keuze valt op Alesi, die vervolgens met lede ogen aanziet dat Sauber steeds steviger verankerd raakt in het achterste deel van de middenmoot. Alesi presteert wisselvallig en Herberts vervanger Pedro Diniz haalt slechts vier keer de finish. Samen pakken ze vijf zesde plaatsen en Sauber wordt in 1999 achtste in het constructeurskampioenschap. Alesi houdt het voor gezien en tekent een contract bij Prost.

2000: Gebrek aan motivatie bij de rijders
De vervanger van Alesi, Mika Salo, zorgt aan het begin van het seizoen 2000 voor een nieuw elan. Dat is hard nodig, omdat Alesi en Diniz het Sauber-team in slaap hadden gesust. Maar al gauw komt ook Salo erachter waar hun gebrek aan motivatie vandaan kwam. Bij Sauber gaat er veel mis en de ontwikkeling van de auto laat te wensen over. De moedeloosheid slaat toe en Salo scoort in de laatste zes races geen punt meer. Teamgenoot Pedro Diniz blijft steken op nul en zo evenaart Sauber met zes punten de achtste plaats in het constructeurskampioenschap van het jaar ervoor.

2001: Topjaar
Sauber plukt de vruchten van jaren ontwikkeling. Het team eindigt achter de grote 3 op een vierde plaats in het WK voor constructeurs. Een mooie prestatie waarvoor Nick Heidfeld en Kimi Raikkonen zorgden. Raikkonen reed zijn eerste jaar F1 en werd enorm bekritiseerd wegens geen ervaring maar teambaas Peter Sauber nam het altijd voor zijn jonge Fin op en Kimi gaf ook antwoord op het circuit. Hoogtepunt was de derde plaats van Nick Heidfeld in Brazilie. Maar niet alles was positief voor Sauber: hoofdsponsor Red Bull verliet het team na 7 jaren sponsoring. Het contract liep op 31 december 2001 af en er werd besloten niet verder te gaan. Teambaas Peter Sauber heeft laten weten dat hij Red Bull voor alles dankbaar is.

2002: Beter dan vorig jaar kon niet meer
Het seizoen word met angstige ogen beken bij Sauber na het vertrek van groot talent Raïkkönen. Peter Sauber denkt een nieuw talent gevonden te hebben in de Braziliaan Felipe Massa. Nick Heidfeld is nog altijd present voor het Sauber team. De eerste races vallen niet mee en zeker niet voor Massa die niet veel presteert. Sauber moet steeds onderdoen voor het Renault team en vind dat dit niet langer kan en ze vervangen, na een straf die Massa gekregen heeft, Massa door H-H Frentzen voor 1 race om toch nog punten te halen en zo de 4de plaats te kunnen bemachtigen van het Renault team. Spijtig genoeg voor Sauber kan ook Frentzen het tij keren. Het team eindigd op een 5de plaats wat niet slecht is. Massa wordt voor 2003 aan de kant geschoven als rijder en vervangen door Frentzen die dolgelukkig is met zijn nieuwe contract.

2003-2005: Plaatsje in de middenmoot
In de seizoenen tussen 2003 en 2005 wordt Sauber een kleine middenmoter. Het team eindigt twee keer zesde in het constructeurskampioenschap en één keer achtste. Aan het einde van 2005 kwam het grote BMW dan kloppen. BMW had tot dan toe motoren geleverd aan Williams maar wilde een volledig eigen team oprichten.

2006-2008: Stabiliteit en vooruitgang met BMW
BMW kwam in 2006 aan de start van het Formule 1 seizoen met duidelijke plannen. Een rustige vooruitgang in de rangorde van de Formule 1. Uit respect voor voormalig eigenaar Peter Sauber werd de naam van het team op BMW Sauber gehouden. Piloten waren de Duitser Nick Heidfeld en Jacques Villeneuve. De eerste punten voor BMW kwamen er in de Grote Prijs van Maleisië met een zevende plaats van Villeneuve die later dat jaar vervangen werd door Robert Kubica. BMW behaalde nog twee podia in 2006 in de Hongarije met Heidfeld en in Italië met Kubica.

2007 betekende weer een kleine progressie voor BMW-Sauber. Het team scoorde regelmatige punten. De Grote Prijs van Canada was zowel een hoogte- als dieptepunt. Nick Heidfeld werd tweede maar Robert Kubica maakte een doodsmak in de vangrails. De Pool werd voor de Grote Prijs van de Verenigde Staten vervangen door de Duitser Sebastian Vettel die prompt de achtste plaats behaalde.

Ook in 2008 boekte BMW weer wat vooruitgang. Het team kon zich nu best of the rest noemen achter Mclaren en Ferrari. In de Grote Prijs van Canada werd voor het eerst gewonnen en Kubica stond zelfs even bovenaan in de tussenstand voor de rijderstitel. Na de beslissing van het team om zich volledig te focussen op 2009 vielen de prestaties echter lichtjes terug maar het eindigde toch derde in het constructeurskampioenschap.

2011:
Sterke eerste seizoenshelft van zowel Kobayashi als Perez. Beide piloten weten zich tijdens de kwalificaties regelmatig in Q3 te nestelen en eindigen regelmatig in de top 10. Perez werd in Monaco echter het slachtoffer van een zware crash, Pedo De La Rosa moest hem voor de race in Canada vervangen. In de tweede seizoenshelft ging het wat minder maar Sauber eindigde toch nog op een verdienstelijke zevende plaats.

2012: Net geen overwinning
2012 werd een zeer wisselvallig seizoen voor Sauber. Regelmatig konden Perez en Kobayashi heel wat punten oprapen, maar regelmatig eindigden de twee ook buiten de top-10. Perez won bijna een gp, maar eindigde ook wel drie keer op het podium, Kobayashi slaagde daar één keer in.  Sauber werd (na Mercedes) “best of the rest” en beëindigde het seizoen als zesde.

2013: Een moeizaam seizoen
2012 was een seizoen waarin Sauber enkele hoogtepunten kende, met de podiumplaatsen van Sergio Perez en Kamui Kobayashi in Maleisië, Canada, Italië en Japan. 2013 werd echter een heel ander verhaal. Met een compleet nieuwe line-up, bestaande uit Nico Hülkenberg en Esteban Gutierrez, werden tijdens de eerste helft van het seizoen weinig punten gepakt.

Nico Hülkenberg slaagde er na de zomerstop in om regelmatiger punten te pakken, en ook Esteban Gutierrez reed op het einde van het seizoen nog een paar mooie resultaten bij elkaar.

2014: een historisch dieptepunt
Sauber had al een moeilijke voorbereiding op het seizoen achter de rug toen het in 2014 aan de start van het nieuwe formule 1-seizoen kwam. Het kleine privéteam had financiële problemen en ook sportief liet zich dat gelden. Het Zwitserse team haalde voor het eerst in zijn geschiedenis geen enkel punt en kon zich dankzij twee elfde plaatsen nog net voor Caterham op de voorlaatste plaats nestelen bij de constructeurs.

2015:
Giedo Van der Garde leek het Sauber nog moeilijk te maken tijdens het openingsweekend in Australië door Sauber aan te klagen. De Nederlander had immers een contract als rijder voor het seizoen 2015, maar Sauber besloot twee nieuwe rijders binnen te halen met Felipe Nasr en Marcus Ericsson. Tijdens de wintertests was al duidelijk dat de nieuwe Sauber een veel betere wagen was dan haar voorganger. In Australië behaalde Nasr meteen de vierde plaats, maar het broodnodige geld was er niet om de bolide verder te ontwikkelen. Sauber bleef stilstaan terwijl de concurrentie steeds verder ontwikkelde, waardoor het Zwitserse team achteruit werd geduwd in het kampioenschap en uiteindelijk als achtste eindigde.

2016: Rampseizoen
Sauber kwam er in 2016 niet aan te pas. De Zwitsers eindigden tot aan de voorlaatste race in Brazilië geen enkele keer in de punten. Een ramp voor het in financieel zwaar weer verkerende team. Pas tijdens de race in Brazilië scoorde Sauber zijn eerste en enige punten van het seizoen, met name twee voor thuisrijder Felipe Nasr. Hierdoor eindigde Sauber wel voor Manor in het constructeursklassement. Het daar bijhorende prijzengeld gaf Sauber de financiële injectie die het nodig had om aan een nieuwe wagen te werken.

Toro Rosso

Team: Toro Rosso
Wagen: Toro Rosso STR12
Motor: Renault
Banden: Pirelli

Rijder 1: Daniil Kvyat
Rijder 2: Carlos Sainz Jr.
Testrijders: - f1 wagen Toro Rosso

Geschiedenis

Opgericht:
In 1979 door Giancarlo Minardi.
In 1985 verscheen Minardi voor het eerst in de Formule 1.

Basis:
Faenza (Ravenna) in Italie


1985-1990: Geen publiekstrekker
Na 6 seizoenen Formule 2, waagt Giancarlo Minardi begin 1985 de overstap naar de Formule1. Pierluigi Martini is een onervaren coureur, de auto geen succes en de motor onbetrouwbaar. Een 8ste plaats in Australie is het beste resultaat. In 1986 zet het team twe auto’s in voor Andrea de Cesaris en Alessandro Nannini. Slechts één keer ziet de auto de finish. Hoewel Nannini in 1987 opnieuw zelden finisht, rijdt hij zich voor het seizoen ‘88 bij Benetton in de kijker.

In het laatste turbojaar 1988 rijdt Minardi met de Ford - Cosworth motor. Martini neemt in Detroit de plaats van Adrian Campos over. Op zondag gaat hij op de schouders, als hij het eerste punt, en enige dat jaar, van Minardi scoort.  In 1989 gaan de prestaties in de slotraces sterk vooruit. Martini ligt in Portugal zelfs een ronde aan de kop. Het team behaalt dat jaa 6 punten.  In 1990 start Martini in Phoenix vanop een tweede startplaats. Punten worden dat jaar echter niet behaald.

1991-1993: Geen vooruitgang
In 1991 wordt Martini 4de in San Marino en Portugal, goed voor de 6 behaalde punten dat seizoen. De motor is dat jaar van Ferrari, maar die deal valt na een jaar alweer in duigen vanwege geldgebrek bij Minardi.
In 1992 behaalt het team 1 schamel puntje, dankzij Christian Fittipaldi die 6de werd in de GP van Japan. Één jaar later worden er 7 WK-punten behaald, een record voor het team, dankzij ondermeer een 4de plaats van Christian Fittipaldi in Zuid-Afrika. Fabrizio Barbassa behaalde 2 punten voor het team dat jaar.

1994-1998: Punten behalen lukt niet meer
In 1994 bundelt Minardi de krachten met de Scuderia Italia. Martini en Michele Alboreto scoren 5 punten tesamen. Toch heeft Minardi moeite zich staande te houden.  In 1995 staan Martini en Luca Badoer vaak met pech aan de kant. Pas in de laatste race behaald het team een punt met Pedro Lamy. Het is voorlopig het laatste puntje voor het team, dat door het verdwijnen van andere kleine teams zich steeds vaker achteraan de startopstelling bevindt, welke coureurs er ook rijden . Maar het enthousiasme blijft na al die jaren nog steeds groot…

1999-2000: Financiele problemen en zwakke resultaten
Ondanks de beperkte financiële middelen kwam er in 1999 toch even een kleine opflakkering. Met een nieuwe Ford V10 , Ferrari testrijder Luca Badoer vertrouwen en nieuwkomer Marc Gené liet Minardi zich eindelijk nog eens opmerken.Toch sloot het team ook dit seizoen weer af met één schamel puntje. Al had er meer ingezeten. Op de Nürbürgring lag Badoer immers op een mooie vierde plaats tot de wagen het begaf. Gene redde echter het jaar met het puntje van de zesde plaats wat meteen als een echte overwinning werd gevierd.

Het seizoen 2000 werd dan weer puntenloos afgesloten. De auto was weer een degelijk ontwerp maar de motor was veel te zwak. Gene en debutant Mazzacane konden dus ook niet veel aanvangen tegen de toppers. Toch eindigde het jaar niet helemaal slecht voor de Italianen. De traditionele rode lantaarn werd immers doorgegeven aande mensen van Prost. Niet slecht want de Fransmannen bezaten toch over een heuse fabrieksmotor. Spijtig genoeg was dit zo wat het enige vreugdemoment binnen het team.

2001-2005: Paul Stoddart en European Minardi
Giancarlo Minardi stopt met zijn renstal. De Australische miljonair Paul Stoddart steekt zijn geld in de Minardi en haalt de jonge getalenteerde Spanjaard Fernando Alonso binnen, samen met Tarso Marques, die eerder al F1 reed maar sinds ‘97 niet meer aan racen toekwam. Het team behaalde, iedereen verwonderd, nog de start van het seizoen. De motor van Minardi werkt niet optimaal, wat zorgt voor zwakke resultaten. Het enige lichtpunt is Alonso, die alles uit zijn Minardi haalt en in de GP van de Verenigde Staten zelfs voor Jacques Villeneuve start. Tarso Marques heeft geluk gehad want hij mocht meer dna verwacht rijden. Door zijn uiterst zwakke prestaties (hij kon zich meermaals niet kwalificeren, maar werd wel opgevist 2 keer) werd hij door de Maleisier Alex Yoong vervangen voor de laatste races van het seizoen. Die bracht tevens ook geld in het bakje, iets wat Minardi goed van pas komt met het oog op een sterkere motor. Het team behaalt geen punten en eindigt laatste bij de constructeurs.

Aan het begin van het seizoen 2002 kijkt Minardi uit naar de eerste race met hun nieuwe wagen en rijders. De nieuwe rijders zijn Mark Webber en Alex Yoong. Van beide nieuwe rijders word veel verwacht na het vertrekken van Fernando Alonso naar het RenaultF1 team. In de openingsrace in Melbourne word een droom van Paul Stoddart werkelijkheid, zijn thuisrijder Mark Webber kan een 5de plaats vastleggen voor het Minardi team en behaalt zo hun eerste punten in jaren. Naarmate het jaar vorderd worden er steeds meer geruchten gehoord dat Minardi het moeilijk heeft. Het kan dankzij de TV gelden van het Prost team overleven en het jaar uitrijden. Alex Yoong kan zich op bepaalde momenten niet kwalificeren voor de race en word voor 2 races vervangen door Anthony Davidson van het BAR team.

Tussen 2003 en 2005 bleef Minardi de hekkensluiter in de Formule 1. Uiteindelijk besloot Paul Stoddart om het team van de hand te doen.

2006-2007:Scuderia Toro Rosso meer dan het B-team van Red Bull
Aan het einde van 2005 besloot Red Bull eigenaar Dietrich Mateschitz om het team over te kopen. Hij wilde van Minardi een springplank maken voor jonge talenten. De naam van het team werd gewijzigd in Scuderia Toro Rosso. Het chassis voor de STR1 kwam van Red Bull met aan het stuur Vitantonio Liuzzi en Scott Speed. Toro Rosso kon weinig presteren in haar eerste seizoen, vooral door de gebrekkige Cosworth motor achter in de bolide.
Voor het seizoen 2007 werd Toro Rosso uitgerust met Ferrari motoren. Opnieuw waren het Liuzzi en Speed die aan het seizoen begonnen als de piloten van het team. Halfweg het jaar besloot Toro Rosso echter om Speed aan de kant te schuiven voor het jonge Duitse talent Sebastian Vettel. Een hoogtepunt kwam er in de Grote Prijs van China waar Vettel vierde werd en Liuzzi zesde.

2008: De eerste overwinning
Het seizoen 2008 werd een absoluut topjaar voor Toro Rosso. Het team finishte regelmatig in de punten maar het hoogtepunt was ongetwijfeld de overwinning van Sebastian Vettel in de Grote Prijs van Italië.

2009:
Na het vertrek van Sebastian Vettel verdween het succes van het team als sneeuw voor de zon. Sébastien Bourdais en de gelijknamige Buemi behaalden samen acht punten. Bourdais werd in het midden van het seizoen vervangen door Jaime Alguesruari.

2010:
Buemi en Alguersuari behaalden de negende plaats voor Torro Rosso.

2011:
Toro Rosso blijft achteraan het pak hangen maar het scoort op zeer regelmatige basis punten. Zo halen Buemi en Alguersuari de achtste plaats bij de constructeurs binnen. Het verschil met Sauber bedraagt slechts drie punten.

2012:
Na drie seizoenen worden Buemi en Alguersuari badankt voor bewezen diensten en krijgen twee nieuwe talenten uit het opleidingsprogramma van Red Bull de kans: Daniel Ricciardo en Jean-Eric Vergne.

2013:
Daar waar Red Bull Racing het seizoen grotendeels domineerde, kende kleine broer Toro Rosso minder geluk. Daniel Ricciardo en Jean-Eric Vergne moesten keihard vechten voor een plaats in de top tien, maar slaagden daar slechts sporadisch in. Daniel Ricciardo kreeg uiteindelijk wel zijn droomtransfer naar Red Bull voor 2014. Jean-Eric Vergne blijft nog een jaartje extra bij Toro Rosso.

2014: weer een seizoen in de achterhoede
Ook in 2014 kon het opleidingsteam van Red Bull zich niet echt in de kijker rijden. Door af en toe een paar punten mee te pikken kon het team zich onderscheiden van de traagste teams en werd het zevende bij de constructeurs. Door het vertrek van Vettel bij Red Bull werd Daniil Kvyat, die het mathematisch minder deed dan Jean-Eric Vergne, gepromoveerd naar het grote team van Red Bull. Die laatste moest zoals velen bij Toro Tosso racen voor zijn zitje maar werd ondanks zijn puike prestaties bedankt voor bewezen diensten om plaats te maken voor twee jonge talenten: Carlos Sainz Jr. en Max Verstappen.

2015: Jongste rijdersduo ooit
Toro Rosso verraste met het jongste rijdersduo uit de geschiedenis van de Formule 1. Met Carlos Sainz Junior en Max Verstappen was het voor het B-team van Red Bull Racing nog afwachten wat hun prestaties zouden zijn. Maar die zorgen waren snel van de baan. Vanaf de eerste Grote Prijs maakten zowel Verstappen als Sainz indruk door hun consistentie en inhaalmanoeuvres. De jongens van Toro Rosso slaagden er zelfs in om sneller te zijn dan hun grote broers bij Red Bull Racing. Maar door betrouwbaarheidsproblemen met de Renault-krachtbron kwam het team niet verder dan een zevende plaats in het kampioenschap. Max Verstappen imponeerde met twee vierde plaatsen.

2016: Goed begin teniet gedaan door de motor
Toro Rosso begon het seizoen met de Ferrarimotoren van het voorgaande jaar. En dat leverde aanvankelijk uitstekende resultaten op. In twee van de eerste vier races eindigden de Italianen met beide wagens in de punten. De rijderswissel Kvyat-Verstappen betekende echter een eerste serieuze klap voor het team. Kvyat haalde niet het niveau van Verstappen en eindigde maar drie keer in de punten voor zijn nieuwe team.

Ook Carlos Sainz jr. kreeg het alsmaar moeilijker. Doordat de Ferrarimotor niet ontwikkeld werd, kwam de Spanjaard immers met kwalitatief minder materiaal aan de start. Op die manier verloor Toro Rosso aan het einde van het seizoen haar zesde plaats in het constructeursklassement nog aan McLaren.

Williams

Team: Williams
Wagen: Williams FW40
Motor: Mercedes
Banden: Pirelli

Rijder 1: Felipe Massa
Rijder 2: Lance Stroll
Testrijders: Paul di Resta f1 wagen Williams

Geschiedenis

Opgericht:
Williams werd in 1977 door Frank Williams opgericht. Patrick Head had ook een groot aandeel in de oprichting.

Basis:
Grove, Wantage, Oxfordshire (Engeland). De fabriek is gelegen in een zeer groot natuurgebied. Het biedt plaats voor 400 parkeerplaatsen. Ook vind je er een zaal met alle F1-wagens die het team gebruikte, waarmee het mee racete.

1968-1980: Moeilijke opbouw van het team
In 1968 richt Frank Williams zijn eigen Formule 1-team op, met als coureur Piers Courage. In ‘69 rijdt de Brit met een Brabham-chassis, het jaar erop met een De Tomaso. Hij verongelukt dodelijk op Zandvoort. In ‘71 wordt met een March-chassis gereden.

Op 15 juli 1972 rijdt er tijdens de Grand Prix van Engeland voor het eerst een Williams-chassis mee in het Formule 1-veld. De wagen wordt genoemd naar de sponsor Politoys en hij wordt bestuurd door Henri Pescarolo. Na 24 ronden valt hij uit en bij deze ene race blijft het voorlopig. Het daarop volgende seizoen is Frank Williams er met zijn team van het begin af aan bij, onder de sponsornaam Iso Marlboro. Howden Ganley komt voor het eerst aan de finish, in Brazilië eindigt hij op de zevende plek.

Op 29 juli 1973 behaalt het team zijn eerst WK-punt. In Zandvoort rijdt de Nederlander Gijs van Lennep de wagen naar een zesde plaats. Later behaalt Ganley ook nog een punt. In 1974 rijden maar liefst zes verschillende coureurs in de Iso Marlboro. In ‘75 heet het team voor het eerst Williams. Dit jaar mogen zelfs negen verschillende coureurs het proberen van Frank Williams. De grote uitschieter is de Fransman Jacques Laffite die op de Nürburgring sensationeel naar een tweede plaats rijdt. De eerst podiumplaats voor het Williams-team is een feit. Verder worden er dat jaar geen punten behaald. Een jaar later gaat Frank Williams een verbond aan met Walter Wolf. Het wordt geen groot succes, want er worden geen punten gescoord. Teleurgesteld gaat het tweetal uit elkaar.

Frank Williams heeft het financieel heel moeilijk. Hij zet in 1977 een March-Ford in met de Belg Patrick Negraveve achter het stuur. Punten worden niet behaald. De voorbereidingen op het seizoen 1978 zijn echter al in volle gang, dankzij Arabisch sponsorgeld is er eindelijk wat mogelijk. Williams Grand Prix Engineering wordt opgericht en een nieuwe fabriek betrokken in Oxfordshire. Alan Jones gaat de enige wagen besturen. In de derde race rijdt hij al naar de vierde plaats, terwijl hij in Amerika als tweede eindigt. In 1979 moet het gaan gebeuren. De wagen is verbeterd en Clay Regazzoni is als tweede rijder aangetrokken.

Na een stroef begin wordt op 14 juli historie geschreven: in Engeland wint Regazzoni de eerste Grand Prix voor het Williams-team. Daarna gaat het snel, want Jones wint de volgende drie races en eindigt uiteindelijk als derde in de strijd om de wereldtitel. 1980 wordt het Williams-jaar: Alan Jones behaalt vijf zeges en wordt wereldkampioen, terwijl de nieuwe tweede rijder Carlos Reutemann ook nog een race wint. Tevens wint Williams voor het eerst de constructeurstitel.

1981-1990: Proberen om aan de top te blijven
In 1981 lijken de successen door te gaan. De eerste twee Grand Prix’ worden opnieuw door de Williams-coureurs gewonnen. Reutemann lijkt de nieuwe wereldkampioen te worden, maar wordt uiteindelijk met één punt verslagen door Nelson Piquet. Dan al blijkt dat Frank Williams niet weet hoe hij met mensen moet omgaan. Hoewel Reutemann WK-leider is zet het team het hele seizoen alles op Jones. 1982 wordt een uiterst bizar seizoen waarin ongelooflijk veel ongelukken gebeuren en waarin opnieuw een Williams-coureur de wereldtitel opeist. Hoewel hij slechts één race wint, wordt Keke Rosberg de nieuwe wereldkampioen. 44 punten is genoeg voor de titel.

Hierna gaat het wat minder met het team. Rosberg wint in ‘83 nog wel de Grand Prix van Monaco maar hij eindigt als vijfde in de titelstrijd. Een jaar later behalen de Fin en zijn teamgenoot Laffite maar weinig punten. De basis voor succes wordt in deze jaren gelegd, met het ontwikkelen van de Honda- motor die vanaf eind ‘93 achter in de Williams zit. In 1985 komt het team pas laat op gang. De laatste drie races worden gewonnen. In ‘86 vervangt Piquet Rosberg en de tandem Mansell/Piquet blijkt succesvol te zijn, ook al kunnen de twee elkaar niet luchten of zien. De Engelsman lijkt wereldkampioen te worden, maar in de laatste race krijgt met een snelheid van 300 km/u een klapband en verliest hierdoor de titel aan Alain Prost. De constructeurstitel wordt wel binnengehaald.

Teambaas Frank Williams heeft echter weinig redenen om te lachen. Bij een verkeersongeval raakt hij verlamd en hij zit sindsdien in een rolstoel.

In 1987 is het team oppermachtig. Nelson Piquet wordt de derde wereldkampioen in een Williams, voor de teleurgestelde Mansell. 1988 wordt een mager seizoen voor Williams. Piquet is vertrokken naar Lotus en veel belangrijker: Honda naar McLaren. Tot de komst van Renault moet het seizoen overbrugd worden met een zwakke Judd-motor. Williams eindigt als zevende in de strijd om de constructeurstitel.

In 1989 rijdt Williams voor het eerst met de Renault-motor. Hoewel er nog wat problemen zijn met de nieuwe motor, eindigt Williams toch als tweede achter het oppermachtige McLaren. Thierry Boutsen wint twee races en Riccardo Patrese wordt derde in de eind- stand. Een jaar later is er niet genoeg progressie. Beide coureurs winnen een Grand Prix, maar in de strijd om de wereldtitel kan het tweetal zich niet mengen.

1991-2000: Mooie jaren
Nigel Mansell keert terug op het oude nest en wint vijf races, maar wordt voor de derde keer vice-wereld- kampioen achter de ongenaakbare Ayrton Senna, Patrese wordt derde met twee zeges. In 1992 komen eindelijk de grote triomfen terug voor Williams. Mansell wint de eerst vijf races van het seizoen op rij. Daarna wint hij er nog vier en met 108 punten, 52 punten meer dan zijn achtervolger en teamgenoot Patrese, wordt hij met overmacht wereldkampioen. Williams pakt met grote voorsprong de constructeurstitel.

Toch vertrekken beide coureurs. Alain Prost en Damon Hill zijn de vervangers. Ook dit tweetal doet het uitstekend. Prost wint zeven races en wordt wereldkampioen, Hill eindigt als derde en wint drie keer. Het lijkt een nieuwe politiek te worden van Frank Williams: ook Prost wordt na het behalen van zijn titel min of meer weggestuurd.

Ayrton Senna is zijn opvolger. De Braziliaan komt bij de derde race in San Marino echter om het leven. De Schot David Coulthard wordt zijn vervanger. Hoewel Hill zes races wint, wordt hij toch slechts vice-wereldkampioen achter Michael Schumacher na een spannende ontknoping in de laatste race. Williams wint de constructeurstitel, mede dankzij Mansell die voor vier races terugkeert in het team, waarvan hij er een wint.

Ook in 1995 eindigt Hill als tweede achter Schumacher, terwijl Coulthard derde wordt. In 1996 lukt het Hill eindelijk om de zesde coureur te worden die met een Williams wereldkampioen wordt. Zeven keer komt hij als eerste over de finish. Zijn nieuwe teamgenoot Jacques Villeneuve eindigt als tweede en wint in zijn eerste seizoen in de Formule 1 meteen vier GP’s.

1997 is het jaar van Villeneuve. In zijn tweede jaar in de Formule 1 haalt de Canadees met zeven overwinningen de wereldtitel binnen. Zijn teammaat Frentzen wordt tweede. Villeneuve en Frentzen rijden ook in 1998 voor Williams, maar helaas voor hen begint het team aan een slechte periode. Het team eindigt als derde in het constructeurskampioenschap. In afwachting van een nieuwe fabrieksmotor van BMW zijn de verwachtingen van Williams voor het jaar 1999 niet hooggespannen. Villeneuve is vertrokken en Frentzen aan de kant gezet, maar gelukkig zorgt het talent Ralf Schumacher ervoor dat het nog best een aardig seizoen wordt. Als de Duitser de eindstreep haalt, pakt hij punten. De vijfde plek in het constructeursklassement is echter ronduit teleurstellend. Schumachers teamgenoot Alex Zanardi is hier de oorzaak van, want met nul punten is zijn inbreng niet bepaald wat het team ervan verwachtte. Geen wonder dat het tweejarig contract met Zanardi wordt ontbonden.

In 2000 heeft Williams een sterk koppel met de jongelingen Ralf Schumacher en Jenson Button. De Duitser pakt weer enkele podiumplaatsen en ook Button scoort de nodige punten. Hun totaal is goed voor een veelbelovende derde plaats in het constructeurskampioenschap.

2001: Sterke vooruitgang
In 2001 maakt Williams een fantastisch jaar mee en lijken ze op weg om hun successen van vroeger te herhalen. Het team behaalt sinds ‘97 weer zeges. Ook staan de mannen met de snelle BMW-motor een aantal keer op pole. Ralf Schumacher en Juan Pablo Montoya doen Frank Williams weer herleven. Toch kunnen ze zich niet moeien in de strijd om een titel. Eind oktober liet Williams aërodynamica specialist Willis naar BAR vertrekken.

2002: Veel verwachtingen maar weinig gedaan.
2001 liet ons vermoeden dat we in het nieuwe seizoen 2002 veel goede dingen zouden zien van Williams. Niets was minder waar, Williams heeft een heel seizoen lang niets kunnen doen aan de dominantie van Ferrari. Ze keken er naar maar deden niets. Meteen werd er verteld dat Ferrari illegaal bezig was met dingen aan de wagen, meerdere keren werd hun wagen onderzocht maar nooit werd er iets gevonden. De afstand tussen beide teams werd naarmate het seizoen vorderde steeds groter. We zijn bezig voor volgend jaar luidde de uitleg. Ralf kon wel 1 keer winnen. Ook had men bij Williams een motorprobleem, de motor was vorig jaar zeer betrouwbaar maar dit jaar plotseling niet meer. Juan Pablo Montoya heeft bewezen dat hij een toekomstig kampioen kan zijn, hij heeft in het seizoen meerdere malen Michael Schumacher van de pole gestoten maar kon nooit deze pole omzetten in een klinkende overwinning.

2003: Beste seizoen in jaren
Het seizoen 2003 werd een topjaar voor Williams met vier overwinningen. Juan Pablo Montoya kon lange tijd meestrijden voor het wereldkampioenschap en werd uiteindelijk derde.

2004-2008: De terugval
In een wereld waar geld uitermate belangrijk is, werd het de voorbije jaren steeds moeilijker voor Williams om competitief te zijn. In 2004 presteerde het team nog behoorlijk met een overwinning voor Montoya in Brazilië en nog enkele podiumplaatsen doorheen het jaar.

Voor 2005 moest Williams op zoek naar twee nieuwe piloten. Dat werden uiteindelijk Mark Webber en Nick Heidfeld. De relatie met motorenleverancier BMW werd steeds slechter en ook de prestaties haalden niet meer het niveau van de vorige jaren. BMW kondigde tijdens het seizoen ook nog aan dat het een eigen team zou beginnen waarna Williams besloot om met Cosworth in zee te gaan voor 2006.

Nico Rosberg kwam in 2006 bij het team naast Mark Webber. Het team verloor een grote sponsor en de toekomst zag er steeds onzekerder uit. Voor het eerst in 30 jaar behaalde het team geen enkele podiumplaats en moest het genoegen nemen met 11 punten.

Vanaf 2007 kon het team rekenen op de motoren van Toyota. Mark Webber werd vervangen door Alexander Wurz. De Oostenrijker behaalde het podium in de Grote Prijs van Canada en het team kon de vierde plaats in het constructeurskampioenschap veilig stellen met 33 punten.

2008 viel dan opnieuw wat tegen. Kazuki Nakajima werd de teamgenoot van Rosberg. Die behaalde twee podiumplaatsen maar toch was het team niet tevreden over de prestaties en werd er al snel overgeschakeld op het ontwerp van de wagen voor 2009.

In 2009 trad Williams aan met hetzelfde rijdersduo. Nico Rosberg was op zijn eentje verantwoordelijk voor de 34 en een half punt dat Williams dat seizoen behaalde.

2010 was weer een lichtpuntje in de geschiedenis van het team. Rubens Barrichello en GP2-kampioen Nico Hulkenberg behaalden een zesde plaats in het constructeurskampioenschap.

In 2011 ging de ondergang verder. Williams haalde Pastor Maldonado binnen voor het geld en Rubens Barrichello voor de ervaring. Al snel bleek dat de wagen weer niet goed was. Uiteindelijk behaalde het team drie keer punten, vijf in totaal. Het eindigde als negende, met alleen de nieuwe teams achter zich.

2012: Verrassende overwinning voor Maldonado
Al snel bleek dat Williams hoge ogen kon gooien. Toch was het meestal het Zuid-Amerikaans temprament van Pastor Maldonado dat Williams buiten de punten hield. Hij scoorde slechts in vijf races punten, maar één ervan was een overwinning. De eerste in meer dan zeven jaar voor Williams. De Venezolaan zegevierde in Spanje, maar het feestje nadien werd verstoord door een brand in de pitbox van Williams.

Ook van Bruno Senna moesten de punten niet komen. De Braziliaan was meestal duidelijk trager dan zijn teamgenoot, maar hij wist wel regelmatig enkele puntjes binnen te halen. Williams was goed bezig, maar hun achtste plaats in het kampioenschap stond daarmee in schril contrast.

2013: slechts één wk-punt
2012 was voor Williams opnieuw een goed seizoen, met de overwinning van Pastor Maldonado in Spanje als hoogtepunt. 2013 was dat allerminst. Het team van Frank Williams pakt over het hele seizoen amper één punt. Maldonado spreekt meermaals zijn ongenoegen uit over de zwakke prestaties van de wagen, wat uiteindelijk resulteert in een scheiding. De Venezolaan gaat in 2014 voor Lotus rijden. Valtteri Bottas vormt in 2014 een team met Felipe Massa.

2014: de wederopstanding
Na het rampseizoen 2013 moest er verandering komen bij Williams. Het team werd voortaan van motoren voorzien door Mercedes die dat jaar met de dominante V6-turbomotor op de proppen kwamen. Verder ging het Britse team een partnershap aan met Martini. Daarbij nam het team geleid door Claire Williams, dochter van stichter Frank, het risico om te gokken op een goede wagen die de daarvoor nodige investeringen zou terugbetalen. Het zou zorgen voor een wederopstanding van het team dat al zeven wereldkampioenen voortbracht. Met negen podiumplaatsen en punten tijdens elke race werd Williams derde bij de constructeurs, maar een nieuwe gp-zege konden Valttieri Bottas en Felipe Massa Williams nog niet bezorgen.

2015: ondanks derde plaats toch gefrustreerd
Na een succesvol jaar 2014, waarin Williams de op één na snelste bolide had, was het een teleurstellend jaar voor het team uit Grove. Er werd immers gehoopt om verder te kunnen bouwen op het voorgaande seizoen. Williams zag de achterstand met Mercedes echter steeds groter worden, maar wist uiteindelijk toch nog de derde plaats in het kampioenschap veilig te stellen. Twee podiumplaatsen, telkens één voor Valtteri Bottas en Felipe Massa, zijn de hoogtepunten van het jaar. Op de snellere circuits wist Williams de concurrentie bij te houden, maar op de tragere circuits leek het team erg oncomfortabel.

2016: lichte achteruitgang
Williams had al een paar jaar de faam het vooral goed te doen op snelle circuit. De lage downforce-afstelling van het team in combinatie met de Mercedes-motor zorgde ervoor dat het Britse team steevast de hoogste topsnelheden van het weekend noteerde.

Ook in 2016 deed Williams het op die manier, met een podiumplaats voor Valtteri Bottas in Canada als uitschieter. Toch zullen de Britten met twijfels de winter ingaan. Na twee derde plaatsen in het constructeursklassement, werd het team in 2016 immers slechts vijfde. Meer nog, door de vierde plaats van Force India was Williams niet langer in het bezit van de tweede beste wagen met een Mercedes-krachtbron.

Verwante nieuwsitems

Er zijn geen verwante nieuwsitems.


Tussenstand F1 seizoen

01. Nico Rosberg 367 pt.
02. Lewis Hamilton 355 pt.
03. Daniel Ricciardo 246 pt.

Volledige stand →

F1Journaal Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws, onze acties en wedstrijden. Vul hieronder uw emailadres in:

F1Journaal Fotogalerij

 
image